Main content

Vraag

Beste Jeroen,

Ik las gisteren een antwoord van jou op een vraag. Je zei: “..het zijn niet je ouders, dus gedraag je dan ook niet als een kind, maar zie elkaar als volwassenen..”

Daar wil ik even op reageren. Ik ben dat namelijk maar gedeeltelijk met je eens; er zitten inderdaad twee volwassenen tegenover of naast elkaar...maar, als cliënt/patiënt vind ik wel dat je in een afhankelijke positie zit, altijd. Zo voelt het ook, voor mij, maar ik denk ook veel andere mensen die hulp nodig hebben. Ik heb een gezin, woning, vrienden en een afgeronde hbo-opleiding, maar toch gebeurt er iets als ik in gesprek ben met een hulpverlener. Dan sta ik niet zo stevig in mijn schoenen en moet ik (met veel moeite) mezelf overgeven aan de hulpverlening. Ik word vaak zelfs opstandig, idd net een kind dan. Daar schaam ik me vaak voor. Komt dat dan door mijn persoonlijkheidsstoornis? Geen idee.

Met mijn medicatie ben ik ook niet makkelijk. Het is altijd wat. Maar voor mijn gevoel doe ik mijn uiterste best en hulpverleners zeggen ook, dat ze dat wel zien...en toch.. Je bent niet op gelijke voet met elkaar. Iedere keer als ik een ggz instelling binnen loop voel ik dat meteen.

Antwoord

Wauw, dat is zo bijzonder dat je dat goed voelt. In algemene zin: heel veel mensen ervaren zich kleiner tegenover 'een autoriteit' zoals een leidinggevende, of iemand die je bewondert, of zoals je schrijft een GGZ, waar je komt omdat je hulp nodig hebt.

Het kan zijn dat er iets in je systeem zit dat je hulp vragen associeert met afhankelijk zijn, en afhankelijk zijn verbindt met 'klein zijn'. Dus, zodra je hulp vraagt, is de ander meteen de grote en jij automatisch de kleine. Daar passen ook woorden bij als: zo je best doen voor een ander. Dat lijkt ook afgeleid van 'loyaal zijn aan de ander' ... omdat? Omdat je er anders niet mag zijn? Omdat je niet goed genoeg bent? Van wie niet? Heeft iemand het recht dat over je te vinden? Vaak zijn zulke lastige combi's van gedachten en emoties te herleiden tot de basis relaties: namelijk vader-kind, -moeder-kind, ouders-kind.

Omgekeerd hebben hulpverleners hier ook wel eens 'last' van: zij kiezen met hun verantwoordelijkheidsgevoel voor de ander, een helpende zorgende modus, en kunnen daarmee onbewust op een vader/moeder positie terecht komen ten op zichte van de cliënt. (En dat ontstaat tussen twee mensen, dus beiden hebben hier een aandeel in.) Dan is het niet raar dat je elkaar in die hoedanigheid ontmoet in het leven. Het is dus de vraag of dat gezond is. Of mooier: wat kan je elkaar leren om hier uit te komen?

Dus op je laatste zin te komen. Hoe voelt dat? Zo een GGZ binnenkomen? Als dat niet goed voelt, probeer het dan eens onder woorden te brengen samen met je hulpverlener. Nieuwsgierig zijn met elkaar. in welke subtiele zaken zit dat dan, hoe ontstaat dit? Kan je het in een rollenspel uitbeelden? Of spelenderwijs de rollen eens omdraaien? Het zou wel eens de sleutel kunnen zijn tot een groeiproces waar je achteraf en tien jaar verder U tegen zegt.

Goeie ontdekkingstocht gewenst waar hopelijk klein-en-groot elkaar op gelijkwaardige wijze vinden, zowel in jou als persoon, als buiten jou in je omgeving mét jou.

En ik hoop van harte dat ik in dit antwoord niet onder je ben gaan zitten én ook niet boven je.

Bedankt voor je reactie en vraag!

Beantwoord door: Jeroen Zwaal op 18 maart 2019
  • Deel deze pagina: