Main content

Vraag

Mijn vriendin heeft een kraambedpsychose gehad. Heel verdrietig, maar gelukkig kreeg ze snel hulp en werkten medicijnen goed. Ze werd vrij vlot ontslagen en kon binnen enkele maanden de medicijnen afbouwen. Ze is intensief begeleid door de GGZ en nu, een half jaar na haar psychose, gaat ze weer aan het werk en is ze bijna net zo goed als voorheen.

Ikzelf heb schizofrenie, al 20 jaar lang en heb met verbazing gekeken naar de intensieve begeleiding die mijn vriendin heeft gehad. In een paar maanden tijd heeft zij meer zorg aangeboden gekregen dan dat ik in jaren heb gehad. Hoewel ik heel blij ben dat mijn vriendin zo snel weer beter is en ik haar de allerbeste zorg gun, bekruipt mij heel erg het gevoel dat mensen die een grotere kans op herstel hebben, meer hulp krijgen dan mensen met een minder hoopvolle prognose.

Ik ben in het verleden regelmatig weggezet als lastig als ik weer bij de hulpverlening aanklopte en ik kreeg soms zelfs de schuld van het feit dat ik nog steeds psychotische klachten had. En tijdens één opname kreeg ik dagelijks te horen hoe duur zo'n opname wel niet was. Overigens was ik toen opgenomen op een afdeling voor langdurige zorg en daar was de kwaliteit van zorg en het aanbod van therapieën beduidend minder dan op afdelingen voor eerste psychose.

Mijn vraag is: Waarom is er minder aandacht voor mensen die langdurig last hebben van psychotische klachten en is er meer aandacht en personeel voor mensen die kortdurend zorg nodig hebben van de GGZ?

Bij voorbaat dank voor het antwoorden en voor jullie waardevolle website!

 

Antwoord

Hele goede vraag en goed van je te horen.

Ik vrees dat het antwoord luidt: dit komt door marktwerking in de zorg, het speeltje van politici die denken het licht gezien te hebben (van de Harvard Business School, om precies te zijn).

Diagnosticeerbaar psychisch lijden is niet zeldzaam: volgens het Nemesis-onderzoek heeft per jaar 25% van de Nederlandse bevolking hiermee te maken (jaarprevalentie)(de Graaf e.a. 2012). Hierover denken in termen van een markt lijkt weinig logisch, omdat de GGZ jaarlijks slechts capaciteit heeft voor 6% van de bevolking. Als de vraag oneindig groot is (25%), zal bij de introductie van marktwerking, waarin men wordt beloond voor het aantal

diagnose- en behandelminuten, een scherpe toename in GGZ-gebruik ontstaan die het systeem onbetaalbaar kan maken.

Zo is in Nederland het aantal jaarlijkse GGZ-gebruikers sinds de invoering van de marktwerking toegenomen van 3% van de populatie tot 6-7% (Van Os 2014). Op zich een goede zaak, zou je kunnen stellen, maar verontrustend is dat men niet weet of in die explosie van GGZ de toename van zorg terecht is gekomen bij de mensen die die zorg het meest nodig hadden, of juist bij de mensen die het beste pasten in het nieuwe businessmodel van productie-GGZ.

Volgens een analyse van het Trimbos-instituut is er bij de GGZ-explosie zowel onderbehandeling (van ernstige aandoeningen) als overbehandeling (van minder ernstige aandoeningen) ontstaan. Hoe werkt dit? Elke GGZ-instelling put uit de 25% jaarprevalentie van psychisch lijden, maar elke regio heeft zijn eigen, onbekende, selectiemechanismen van wie uit die 25% zijn weg naar de GGZ vindt, resulterend in grote zogenaamde ‘praktijkvariatie’ (Delespaul e.a. 2016).

Behalve de aanbodfactor zullen ook andere selectiemechanismen een rol spelen. Sommige GGZ-instellingen willen bijvoorbeeld alleen patiënten die duidelijk aan de criteria voor een angststoornis of depressie voldoen en die geen comorbiditeit hebben van verslaving of persoonlijkheidsproblematiek.

Andere instellingen richten zich op autismespectrumstoornis, maar dan wel zonder comorbide verstandelijke beperking of psychose. Met de toegenomen

‘verzuiling’ door specialisatie is elk zorgpad in de GGZ afhankelijk van zijn eigen paradigmastoornis, het liefst bij mensen die als gepland op hun afspraak komen en een grotere kans hebben op een lineaire verbetering onder behandeling.

Om de productie voorspelbaar hoog te houden moeten de agenda’s van de medewerkers volgepland zijn. Dit kan alleen maar als de instelling patiënten selecteert die ‘programmeerbaar’ (d.w.z. goed in te plannen en met een redelijk voorspelbaar beloop van relatief lichtere klachten) zijn – en dus een betere prognose en sbg-benchmark hebben. Mensen die zichzelf moeilijk kunnen reguleren door comorbiditeit met verslaving, autisme, persoonlijkheidsproblematiek, psychose of verstandelijke beperking, en die afhankelijk zijn van flexibele op- en afschaling van zorg wanneer dat nodig is, zijn niet goed in te plannen in de productieagenda van de huidige GGZ-medewerker.

Voila het antwoord dus: je kunt alleen nog maar in de GGZ komen als je een goede prognose hebt, aan een slechte prognose valt geen geld te verdienen.

Groet Jim

Beantwoord door: jim van Os op 16 april 2019
  • Deel deze pagina: