Antwoord
Dag beste lezer,
Wat jammer om te lezen dat u als moeder zo weinig wordt betrokken in het contact met de behandelaren van de ambulante zorg. In de basis is het een voorschrift dat behandelaren triadisch werken, dus ook de naasten betrekken in de zorg. Echter gebeurt dit niet altijd.
Het hangt er ook een beetje van af of uw dochter vrijwillige of verplichte zorg krijgt in de ambulante zorg. Als zij een zorgmachtiging heeft en verplichte ambulante zorg ontvangt, kunt u eventueel in contact komen met de familievertrouwenspersoon. Veel ggz-instellingen hebben een contract met de onafhankelijke stichting familievertrouwenspersonen. Zo’n persoon kan u ondersteunen in het contact met behandelaren, en u kunt advies en praktische hulp krijgen.
In de Handreiking ambulante verplichte zorg vind ik het volgende:
”Uit het voorgaande volgt zodoende dat er bij de keuze voor de vormen van verplichte zorg zo veel mogelijk rekening dient te worden gehouden met de wensen en voorkeuren van de betrokkene en diens naasten. Dit is direct ook één van de belangrijkste doelen van de wet, aangezien de wetgever met de Wvggz heeft beoogd om de betrokkene meer centraal te stellen, de betrokkene meer invloed te geven op zijn of haar zorgproces en de naasten meer te betrekken bij de verplichte zorg. Conclusie is dan ook dat verplichte zorg in de ambulante setting enkel mogelijk is wanneer er sprake is van voldoende medewerking van de betrokkene en diens naasten (als minimale voorwaarde voor het waarborgen van de veiligheid) en dan ook nog slechts bij bepaalde vormen van zorg.
Maar wat is hierbij voldoende en welke vorm van zorg kan toegepast worden? Dat is niet altijd eenvoudig te voorspellen, met name wanneer betrokkenen onbekend zijn doordat zij niet eerder in zorg zijn geweest. Van betrokkenen die wel eerder in zorg zijn geweest, kunnen de wensen en voorkeuren immers wel bekend zijn.
Met andere woorden, de soort patiëntengroep (nieuw en acuut, nieuw en niet acuut, bekend en acuut, bekend en niet-acuut) heeft invloed op de manier waarop de vier principes afgewogen en beoordeeld kunnen en moeten worden. Zo helpt kennis uit het verleden van een betrokkene bijvoorbeeld bij het inschatten van de mate waarin ambulante verplichte zorg doelmatig is. Voor het inschatten van de subsidiariteit zijn tevens de patiëntvoorkeuren van belang. Indien een betrokkene echter binnen de acute groep valt, zal er echter weinig/geen tijd zijn om de patiëntvoorkeuren te bespreken. De afweging van de vier principes bij een betrokkene die binnen de acute groep valt, zullen zodoende verschillen van de niet-acute patiëntengroep. Bij de niet-acute groep dienen immers eerst (voor zover mogelijk) de patiëntvoorkeuren geïnventariseerd te worden. De mate waarin een betrokkene reeds bekend is kan hierbij ook een belangrijke rol spelen, doordat er bij het afwegen van de principes bij bekende betrokkenen ook informatie uit het medisch dossier gebruikt kan worden. Hierbij dienen de vier principes ook afgezet te worden tegen onder andere de diagnose van de betrokkene, de mate van het ernstig nadeel, de eventuele risico’s, de draagkracht van de eventuele familie en naasten en de mogelijkheden rondom de uitvoerbaarheid van verplichte zorg.”
Het is dus een grijs gebied. Er staat in de wet verplichte zorg (geldt dus niet als uw dochter vrijwillige ambulante hulp krijgt!) dat naasten betrokken dienen te worden. Maar er staat niet precies in hóe. Ik raad u ten zeerste aan om contact op te nemen met een familievertrouwenspersoon die eventueel kan bemiddelen tussen u en de behandelaren van de instelling.
Mocht u nog vragen hebben, stuur dan een bericht terug of bel naar de adviesdienst op 088 000 2120 (op ma/di/do/vr van 10.00 uur tot 16.00 uur).
Hartelijke groet,
Marjolein van Ypsilon
Beantwoord door: Ypsilon op 22 juni 2026