Main content

Haarlem, 1958. Ik zit in de vierde klas HBS-A en ben verliefd op een leerlinge, een klas lager. Zij loopt niet, zij schrijdt, praat zacht en zo is de blik in haar ogen. Zij heeft een ongrijpbare mysterieuze uitstraling die mij mateloos boeit, maakt dat ik ’s nachts nauwelijks kan slapen en fantaseer over de toekomst van onze wederzijdse verliefdheid.

In de Schoolkrant heb ik een aantal gedichtjes geplaatst en in één daarvan richt ik mij tot haar:
Somewhere I heard a rhapsody
and saw a paradise.
The rhapsody flew from your tongue,
That sight was in your eyes.

Wij hebben bijzondere ontmoetingen. Vorige week spraken wij af elkaar ’s avonds op het schoolplein te ontmoeten. In de gymzaal, die vaak verhuurd wordt, brand licht. De deur van de school is niet op slot. Wij gaan naar binnen, naar een klaslokaal op de tweede verdieping . Wij praten, houden elkaar vast, verliezen ons in de ruimte en de tijd.
De school is nu donker en gesloten, via een nooduitgang kunnen wij naar buiten. Het is spannend en wij genieten van deze en andere ontmoetingen.

De telefoon gaat. Eén van mijn oudere broers neemt op en zegt even later tegen mij: “Voor jou!
Zij is het en zegt dat zij niet verder wil met mij.

Radeloos ben ik, ik huil, ik smeek, ik kan niet uit mijn woorden komen

De telefoon wordt uit mijn handen gerukt door mijn broer die woedend aangeeft dat dit een laffe manier is om dit zo te melden en smijt de hoorn neer. Tegen mij zegt hij: “Ze verdient jou niet, vergeet haar, voor haar duizend anderen!

Ik ren weg naar mijn kamer, het huilen stopt niet. Ik bonk met mijn hoofd tegen de muur. Zonder dat iedereen thuis dat in de gaten heeft loop ik weg. In Haarlem Noord waar ik woon, is buiten de bebouwde kom een begraafplaats. In het woonhuis bij de begraafplaats brand licht en in een impuls bel ik aan. Een vrouw doet open.
Door mijn tranen heen zeg ik dat ik niet weet wat ik moet doen, ik zeg dat en blijf dat herhalen. Zij doet de deur verder open zegt: “Kom binnen, doe je jas uit.
We gaan aan een tafel zitten. De vrouw vraagt of ik thee wil. De rust, de vriendelijkheid, de gastvrijheid die zij toont kalmeren mij.

Dan vraagt zij: “Vertel, wat is er met je gebeurd?

Tot zover de beschrijving van een gebeurtenis die bijna zestig jaar geleden plaats vond. Ik kan mij nu nog letterlijk de gesproken woorden herinneren en de gevoelens terughalen. Het vlakke, onpersoonlijke van mijn vriendin, de woede van mijn broer, het radeloze, machteloze gevoel van mijzelf met de neiging mijzelf iets aan te doen.
Ik kan nu, na zoveel jaar, verwoorden wat ik zocht en vond bij haar toen ik overstuur en in de war aanbelde. Het contact was bij de deur al gelegd. Haar non-verbale gedrag was uitnodigend, geen aannames, geen vooroordelen. Ik kreeg het gevoel van ‘je mag er zijn, wat je verhaal ook is’.

De vraag “Wat is er met je gebeurd?” ben ik sindsdien in verschillende situaties en bewoordingen regelmatig tegen gekomen. Het zijn momenten waarin ik mij gezien en gehoord voelde en die ik nu kan verwoorden. Zoals:


Ziekenhuis
Door de gordijnen kiert zwak licht.
De nacht wacht op de dag die zal
wachten op de nacht.
Zij vraagt wat er met mij gebeurd is.
Ik zie haar gezicht, breek en open mij.
Pijn krijgt een ander licht.
In het boek ‘Hart voor de GGZ, werken met compassie in een nieuwe ggz‘ van Remke van Staveren citeert zij een uitspraak van Eleanor Logden:
The relevant question in psychiatry shouldn’t be what’s wrong with you, but what happend to you?

De ervaringen, opgedaan met het krijgen van de vraag, maken dat ik deze nu ook stel. Aan hen die ook op de deur hebben geklopt, en zijn binnen gelaten.



Walter van Gelderen
is runningtherapeut en vrijwilliger bij GGZ-NHN. Samen met een psychomotorisch therapeut en een behandelaar geeft hij wekelijks runningtherapie aan cliënten. Daarnaast begeleidt hij de intervisiebijeenkomsten voor de ervaringsdeskundigen van GGZ-NHN.

  • Deel deze pagina:

Reacties:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *