Main content

‘We moeten mensen met een psychose gaan vragen: wat is er met je gebeurd?‘ zegt psycholoog David van den Berg. Zijn onderzoek toont aan dat wie een ernstig trauma meemaakt, drie keer zoveel kans heeft op een psychose. Voor die trauma’s kun je therapie toepassen, die de psychotische symptomen vaak drastisch vermindert. Ook de inhoud van de psychose hangt vaak samen met het trauma.

Behandelaars praten niet graag over waar psychoses over gaan‘, zegt David, ‘maar de stemmen en de beelden hangen vaak nauw samen met wat er gebeurd is met iemand.’

Wat is de relatie tussen trauma en psychose?

Jij hebt onderzoek gedaan naar trauma en psychose. Wat is precies de relatie?
Best sterk. Je kunt de relatie vergelijken met de relatie tussen roken en longkanker. Het is vooral bijzonder omdat het haaks staat op wat we lange tijd gedacht hebben. We dachten dat psychose iets was wat vooral genetisch moest zijn. Er is ook heel lang geen onderzoek gedaan naar omgevingsfactoren zoals traumatisering in de kindertijd. De afgelopen tien jaar gebeurt dat meer. En nu blijkt dat trauma een van belangrijkste voorspellers is van psychose.

Kun je uitleggen wat trauma is?
Met trauma bedoelen we dat je nare dingen meemaakt, zoals ernstige fysieke mishandeling, seksueel misbruik, ernstige emotionele of fysieke verwaarlozing als kind, psychologische mishandeling. Ik heb het niet over een corrigerende tik maar over echt ernstige fysieke mishandeling waarbij mensen verwondingen oplopen en waarbij je je op dat moment echt heel erg naar hebt gevoeld.

Vaker psychose na trauma

Wordt een psychose altijd veroorzaakt door trauma?
Niet altijd. We zien wél dat het meemaken van trauma’s de kans op psychose echt sterk vergroot. Uit allerlei onderzoeken tezamen, zie je dat het meemaken van trauma’s in je kindertijd de kans op psychose ongeveer verdriedubbelt. Daarmee is het een van de belangrijkste risicofactoren op het ontwikkelen van psychose. We zien ook, in de klinische praktijk en in onderzoek, dat er bij veel mensen directe of indirecte relaties zijn tussen de trauma’s die mensen meemaken en de stemmen of de overmatige achterdocht die ze hebben.

Er zijn bijvoorbeeld mensen met stemmen die dingen horen die vroeger tegen hen gezegd zijn, door een misbruiker. Of we zien mensen die achterdochtig zijn geworden direct na het meemaken van een heel naar agressie-incident waarbij ze in elkaar zijn geslagen. Er zijn dus hele directe relaties, inhoudelijk, of in de tijd, dat je ziet dat iets ontstaat direct na de gebeurtenis.

Hoe je met de stemmen omgaat, hoe je je verhoudt tot die stemmen, wordt ook gekleurd door hoe je je als persoon ontwikkeld hebt. Mensen die zijn opgegroeid in een gezin waarin ze gedenigreerd werden en naar beneden geduwd, hebben geleerd zich aan te passen. Die zijn ook geneigd dat bij die stemmen te doen. De stemmen gedragen zich niet zozeer precies hetzelfde als vroeger, maar de manier waarop ze met die persoon die ze hoort omgaan, lijkt wel heel erg op hoe er vroeger met ze is omgegaan.
Hetzelfde geldt voor mensen met een overmatige achterdocht. Ik behandel heel veel mensen met achterdocht. En het zijn bijna allemaal mensen die ook wel heel erg vaak het deksel op hun neus hebben gehad in contact met anderen. Heel vaak zie je dat mensen allerlei beschadigingen hebben van het interpersoonlijke vertrouwen. Dat zijn vaak grote trauma’s maar het kunnen ook kleinere nare gebeurtenissen zijn, waardoor je ook begrijpt dat iemand achterdochtiger in het leven is komen te staan. En dan kun je ook begrijpen hoe iemand op een gegeven moment uit de bocht is gevlogen.

Die achterdocht wordt ook gevoed?
Die achterdocht komt wel ergens vandaan. Er is ook nuance. We hebben heel lang gedacht dat het allemaal biologisch en genetisch was en nu zien we dat omgevingsfactoren op de voorgrond staan. Dat kunnen grote trauma’s zijn maar ook dingen als ernstig gepest worden of bij een minderheidsgroepering horen, dus niet goed meekomen in de maatschappij. Het is waarschijnlijk een genuanceerde mix van die twee.

Wat heb je aangetoond met je onderzoek?
Veel mensen die trauma’s hebben meegemaakt en die psychotische klachten hebben ontwikkeld, hebben ook nachtmerries van die nare gebeurtenissen en herbelevingen. Ze hebben plotseling binnenvallende herinneringen van akelige dingen waar ze helemaal niet aan willen denken. Ze gaan heel veel activiteiten, plaatsen en mensen uit de weg, omdat die hen doen denken aan die gebeurtenissen. Ze hebben bijvoorbeeld geen seks met hun partner, of ze blijven bij bepaalde delen van de stad uit de buurt. Je ziet ook vaak dat ze last hebben van prikkelbaarheid, van schrikachtigheid ze zijn hyperalert op hun veiligheid. We noemen dat posttraumatische stressstoornis. Mensen ontwikkelen door die trauma’s niet alleen psychotische klachten maar daarnaast hebben ze ook echt last van die trauma’s zelf.

Trauma en therapie

Wij hebben een groep van 155 mensen gevraagd of ze mee wilden doen in een studie. Een derde van die mensen werd op een wachtlijst geplaatst. Zij kregen gewoon de zorg voor hun psychotische klachten maar voor de PTSS-behandeling stonden ze op een wachtlijst. De twee andere groepen kregen twee verschillende traumatherapieën. EMDR en exposure.

Van tevoren dacht eigenlijk iedereen: niet doen, dat is gevaarlijk, mensen gaan dan zichzelf iets aandoen, of mensen worden weer psychotisch, dat werkt niet bij deze groep. Maar dat is eigenlijk, wat mij betreft, stigmatisering door hulpverleners, die het idee hebben dat mensen met psychose andere mensen zijn dan mensen zonder psychose. Nou daar geloven we niks van.

Te kwetsbaar, dat is feitelijk het idee dat erachter zit?
Zo wordt inderdaad gedacht. In onze gedachten worden mensen met depressie en angststoornissen nog als redelijk normaal gezien. Maar mensen met psychose, nee dat is écht een kwalitatief aparte groep, daar moet je echt mee oppassen, die zijn heel erg kwetsbaar.
Maar wij geloven juist dat het niet geloven in mensen, en dat uitstralen, dat dát het slechtste is wat je kan doen. Je moet mensen hoop bieden en je moet mensen laten zien dat je in ze gelooft, zeggen: je kunt het.
En wij geloven ook dat je eigen herinneringen niet schadelijk zijn. Wij zeggen tegen mensen: je hebt onwijs nare dingen meegemaakt, maar die herinneringen, die verkrachten je niet. En die herinneringen, die stompen je niet in elkaar. Dat zit in je hoofd, dat kun je aan en dat kun je zeker aan als ik hier met jou ben in deze ruimte. We gaan daar op een gestructureerde manier aan werken, en dat gaat je helpen. Dát is een boodschap van hoop. Dat werkt, denk ik.

Dus jullie hebben EMDR gedaan, exposure-therapie. Hielp het?
Dat hielp vrij goed. We hebben mensen in dit onderzoek acht sessies gegeven. Dat is weinig, maar we wilden een bepaalde dosis behandelingen onderzoeken. Zo’n 60% van deze mensen hadden geen posttraumatische stressstoornis meer ná die behandelingen. Dat is eigenlijk een heel erg goed resultaat. Wij denken dat de mensen die nog wel klachten hadden, eigenlijk nog niet klaar waren met de therapie. Dat de 8 sessies te weinig waren. Dat hebben we ook terug gehoord van de therapeuten en van de deelnemers. Het gaat ook om mensen die ernstig getraumatiseerd zijn. Ik heb het niet over een auto-ongeluk op je twintigste, maar over langdurig vroegkinderlijk trauma, zoals herhaald en vaak seksueel misbruik én fysieke mishandeling. En niemand die er was om je op te vangen. Voor deze mensen is acht sessies natuurlijk niet genoeg.

Meer dan de helft trauma’s in 8 sessies opgelost

Wat ik begrepen heb is dat je met EMDR elke keer één trauma aanpakt? Dus hoe meer trauma’s je hebt, hoe langer de behandeling duurt?
Dat klopt, je moet het zo zien: vaak is het alsof mensen een heel fotoalbum vol met foto’s van allemaal nare gebeurtenissen hebben. Wij kijken wat de naarste ervaringen zijn, di gaan we het eerst behandelen. Dat gaat tegen je intuïtie in. Traumatherapeuten behandelen mensen die ze als kwetsbaar beschouwen. Dan kiezen ze vaak een voorzichtige aanpak en beginnen eerst met iets wat minder erg is. Wij zeggen dat we juist pragmatisch moeten zijn. Als je de ergste dingen aanpakt, dan verandert de rest vaak wel mee. Ik vergelijk het wel eens met blikken gooien op de kermis. Als je de onderste blikken te pakken hebt dan dondert die hele toren in elkaar. En dat hebben wij dus ook gedaan. Gekeken wat de meest nare ervaringen zijn, en van die meest nare ervaringen weer gekeken wat de allerergste is. We hebben de volgorde van werken omgedraaid. En dan zie je dat er in slechts acht sessies 60% van de trauma’s zijn opgelost.

Jullie hebben mensen met posttraumatische stressstoornis behandeld, maar denk jij dat het bij mensen met psychose, zonder PTSS, zou kunnen helpen?
Dat denken we wel. We zijn nu aan het kijken of we door nare trauma’s te verwerken die echt duidelijk gerelateerd zijn aan klachten, bijvoorbeeld stemmen horen, of we op die manier ook de psychotische klachten wat kunnen verminderen.
Los van traumabehandeling denk ik dat het belangrijk is dat wij in de geestelijke gezondheidszorg een meer trauma-sensitieve attitude krijgen. Er moet met mensen gepráát worden. Wat is er toch met je gebeurd, hoe is jouw leven verlopen dat jij deze klachten hebt ontwikkeld?

Praten over de inhoud van de psychose

Waar is het begonnen?
Waar is het begonnen, wat zijn jouw ideeën daarover, wat denkt jouw familie daarover, welke gebeurtenissen verbind jij zelf direct of indirect aan jouw klachten. En dat betekent ook dat we direct naar trauma’s moeten gaan vragen – want dat doen we niet zo graag. Als je kijkt naar intakeverslagen dan wordt dat kopje vaak overgeslagen, zeker bij mensen met psychotische klachten. Behandelaren vinden trauma’s eng, die vinden het niet zo leuk om over te praten. Het is ook geen leuk onderwerp. En daarom zijn wij bijvoorbeeld ook bezig zijn met het ontwikkelen van een training voor verpleegkundigen en psychiaters. Dat zijn toch degenen die vaak mensen als eerste zien. Een training om juist ook over trauma in gesprek te gaan, en je niet alleen op trauma te richten bij PTSS klachten, maar trauma ook mee te nemen in je behandelplan en in de gezamenlijke formulering van wat er aan de hand is en hoe het zo is gekomen.

En houdt het ook in dat ze moeten gaan praten over de inhoud van de psychoses? Want dat gebeurt vaak niet.
Precies. Nee, dat gebeurt natuurlijk binnen veel psychologische behandelingen van psychose wel, dan gaat het alleen máár over die inhoud. Maar slechts weinig mensen komen bij een psycholoog terecht die zulk soort behandelingen met ze doet. En ik denk dat het voor psychiaters en verpleegkundigen en casemanagers belangrijk is, om hier ook over te te praten. In plaats van het alleen te hebben over symptomen en over medicatie maar ook om het hebben over wie je bent en hoe kom jij hier terecht.

 


Meer informatie: Psychose en trauma

  • Deel deze pagina: