Main content

Hulpverlening is op de eerste plaats communicatie. Dat leerde Peter Pijls tijdens de twaalf jaar dat hij onder behandeling stond van de GGZ. Communicatie kan verbinden, staat als het goed is dicht bij de werkelijkheid van de client en kan hem met zijn lot verzoenen en perspectief bieden. “Op zeker moment was ik dat vrijblijvende gebazel zat.”

In de praktijk helaas blijkt dat veel hulpverleners maar weinig van communiceren begrijpen. Ze drukken zich uit in betekenisloze clichés of ze verwarren intimiderend taalgebruik met overredingskracht. Voor glashard liegen deinzen ze soms ook al niet terug. Ze zeggen dingen als; kun je dat een plekje geven? Of; waar loop je tegen aan? En: wat heb je nodig? Op het eerste gehoor lijken dat hele concrete, praktische vragen. Maar dat zijn het niet. Ze betekenen namelijk heel weinig. Want welk antwoord ik ook gaf, er werd vervolgens niet serieus op ingegaan.

Meestal kreeg ik alleen maar te horen: we gaan het rapporteren. Of: ik kom erop terug. En: we bespreken het in de groepsvergadering. Alleen jammer dat dat in de praktijk bijna nooit gebeurde. Ik leerde dat hulpverleners zeldzaam vrijblijvend kunnen praten, dat heel vanzelfsprekend vinden en, erger nog, denken dat ze daarmee wegkomen.

Vooral in de beschermde woonvormen

waar ik zes jaar huisde kreeg ik met vormen van schijncommunicatie te maken. Op zeker moment was ik dat soort vrijblijvend gebazel zat en ontweek ik gesprekken met mijn begeleiders zoveel mogelijk. Of ik ging alleen akkoord met een gesprek als er eerst een duidelijke agenda was. En aangezien de begeleiding meestal niet in staat was vooraf een heldere gesprekagenda te formuleren, zag ik daarin een prachtige aanleiding om dan maar niet te praten.

Dat werd me niet in dank afgenomen. Ik werd beschuldigd van een ontwijkende en vermijdende houding, en dat vond ik prachtig. Groepsvergaderingen, die eens per maand plaatsvonden, vermeed ik al helemaal. De enige keer dat ik erbij was, kreeg ik te horen dat ik de draak stak met de voorzittende hulpverlener. Dat zag ze goed, want ik vond dat ze de bewoners ontoelaatbaar kleineerde en afbekte. Zo kregen we de horen dat we, als we buiten een sigaretje rookten, vooral niet te hard mochten praten, want daar zouden de buren wel eens last van kunnen hebben.

Medebewoners die met een gerede klacht op de proppen kwamen

werden acuut afgebekt. Ik dacht; mij niet gezien, dat ga ik niet nog eens meemaken. Dat vond de voorzitter van de vergadering, tevens mijn persoonlijk begeleidster, helemaal niet leuk. Ze reageerde dat af door me jarenlang te bestoken met intimiderend bedoelde emails. Ik dreef haar tot waanzin door die mails of niet te beantwoorden, of te reageren met vage wartaal.

Gelukkig ontmoette ik ook hulpverleners die wel goed communiceerden. De eerste psychiater die ik trof, en bij wie ik ernstig rand-psychotisch en doodsbang kwam aanwaaien, stelde me meteen gerust door me het een en ander te vertellen over het mentale ongerief in haar eigen leven. Ze zei ook; je bent nu heel erg ziek, maar dat gaan we ze zus-en-zo verhelpen. Die psychiater had me helemaal aan het touwtje en ik deed braaf alles wat ze zei, waar ik bepaald mijn voordeel mee deed.

Later leerde ik dat de beste hulpverleners de hardste kunnen zijn. Door in heldere bewoordingen te stellen waar het op staat, en me aldus genadeloos een spiegel voor te houden. De systeemtherapeute van de verslavingskliniek waar ik tien jaar geleden belandde, was daar een grootmeester in.

Deze vrouw, laat ik haar Mieke noemen

kon met een vriendelijke glimlach snoeiharde dingen over me zeggen, die trouwens allemaal waar bleken. Voor zelfbeklag had ze geen tijd, ontwijkende manoeuvres mijnerzijds kapte ze minzaam af. Ze deed met playmobilpoppetjes aan familie-opstellingen. Ze leerde me dat mijn plek in het ouderlijk gezin tamelijk veel met mijn latere alcoholisme te maken had.

Om me dat goed in te wrijven, maakte ze een Polaroidfoto van die playmobilpoppetjes. Op de foto stond te zien dat ik altijd ver verwijderd was geweest van mijn ouders, zussen en broer. Ik stond even verderop, samen met mijn opa en oma, die tot hun dood bij ons inwoonden op de boerderij. ‘Daar hoorde jij bij’, zei Mieke met die charmante glimlach van haar. “Accepteer dat nou maar. Het zal je verder helpen.”

De polaroidfoto heb ik nog steeds. Ik kan er trouwens niet te vaak naar kijken, omdat ik anders bezwijk van verdriet. Resumerend; een stomme foto kan meer zeggen dan duizend woorden, en je een blijvend inzicht opleveren over je familieachtergrond, en de causale relatie met latere mentale en verslavingsproblemen.

Diezelfde verslavingskliniek

had een psychiater in dienst die ook een wonder was van effectief communiceren, hoewel op een heel andere manier dan systeemtherapeute Mieke. De psychiater probeerde me zover te krijgen een stemmingsstabilisator te gaan slikken, omdat ze zeker wist dat dat mijn zucht naar alcohol flink zou dempen. Ik verzette me hevig. Ik slikte al een antipsychoticum en had geen zin in nog meer pillen in mijn lijf.

Dat voelde de psychiater haarfijn aan. Zij, een charmante Vlaamse, had wel door dat ik een koppig mannetje was dat erg gesteld was op zijn autonomie. Dat loste ze als volgt op. Ze gaf me de bijsluiters mee van beide bekende stemmingsstabilisatoren. Toen zei ze; ‘Kies zelf maar. Dan hoor ik morgen wel welke pil het wordt.’

Een beetje beduusd nam ik afscheid, om vervolgens te concluderen dat ze me wel de vrijheid gaf om zelf een afweging te maken. Zo kreeg ze me om. Ik begon Lithium te slikken, voelde me binnen drie weken een stuk stabieler en had opeens veel minder zucht naar alcohol. Ik ben die psychiater tot op de dag van vandaag erkentelijk voor haar psychologisch inzicht en subtiele manier van communiceren. Ik sta sindsdien namelijk kurkdroog, en dat heb ik vooral aan haar te danken.

Later leerde ik dat andere psychiaters ook lelijk stigmatiserend kunnen communiceren. Medebewoners in mijn beschermde woonvorm kregen glashard te horen dat ze schizofreen waren. Ik dacht toen al: zou je niet beter psychosegevoelig kunnen zeggen? Volgens mij dekt dat de lading een stuk beter. Zelf kreeg ik te horen dat ik bipolair was, wat ik al wist. Maar die zielenknijper dacht ook aan schizo-affectief, en toen ik later mijn dossier van de thuiszorg mocht inzien, las ik ook nog eens dat hij rekening hield met borderline.

Dat zijn allemaal framende containerbegrippen

die maar weinig zeiden over mijn werkelijke mentale uitdagingen. Daarover met hem in discussie gaan was zinloos. Hij vond het onnodig, en stond merkbaar niet open voor mijn argumenten en tegenwerpingen. Wel zei hij ooit, na een gesprek al weglopend uit mijn kamer: “Misschien is het maar beter als we u onder toezicht de medicatie laten slikken’. Daarmee suggererend dat ik mijn pillen weggooide. Dat was een leugen, maar ondertussen wist ik wel dat ook mijn begeleiders op die koers moesten zitten. De pillen onder toezicht slikken heb ik overigens altijd geweigerd. En de psychiater waarover ik het heb, is gelukkig met pensioen. Ik zal voor hem bidden, als ik tijd voor hem heb.

Gelukkig is er binnen de GGZ steeds meer aandacht voor goed en effectief communiceren. Als het even kan op voet van gelijkwaardigheid met de client, en met gepaste aandacht voor diens levensverhaal. Ook op grond van mijn eigen ervaringen vrees ik wel dat veel hulpverleners nog een lange weg hebben te gaan. Te vaak verwarren ze vrijblijvend geklets met effectief praten. Hen zou ik willen herinneren aan het motto van filosoof Ludwig Wittgenstein: Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.

foto piqsels.com-id-ffwqk

Peter Pijls is bipolair, kickte af van de psychofarmaca en is herstellend drinker. 

Meer blogs lezen van Peter Pijls?  

Meer lezen over afbouwen?

  • Deel deze pagina:

Reacties:

  1. Ja, dat is me wat! Anekdote: vorige week zat ik in Den Haag in een bushokje en een dakloze persoon (was gelijk zichtbaar, incl. alcoholgeur) wilde dat ik plaats voor hem maakte. Ik deed dat. Toen kwam de vraag: en, hoe gaat het met u? En ik ben zo ingelezen in ‘narcisme’ dat ik wist dat hij deze vraag stelde, zodat ik zou vragen hoe het met hem ging. Met als gevolg, dat hij mij een zeik-verhaal in de schoot kon werpen. Dus ik zei: ja, dat doet mijn moeder nu ook altijd, als zij de wedervraag wil ontvangen, dus ik ga u niet vragen hoe het met u gaat. Snoeihard. Toch kwam het zeik-verhaal: vrouw dood, dakloos, enz. Zeker weten een refrein in zijn hoofd, dat hij al duizenden malen heeft afgedraaid.
    Achteraf moest ik mijzelf vermanen: waar is de compassie? Pffft… De mensen in de GGZ inderdaad, communiceren, zie ik achteraf, volkomen dwars op de realiteit waarin de patient zich bevindt. Shocking. Ik denk het is een vorm van overmacht, dan grijpen ze terug, op wat een of andere leraar hen heeft verteld. Maar: ik merk aan mijzelf, dat ik ook ’trekjes’ heb, in dezelfde richting. ‘Psychologie’ zonder diepte, zonder doen, neigt nu eenmaal tot een bezetting van een heel klein deeltje in onze hersenen. Als je dit kleine deel gaat inzetten, omdat je nog geen echte vaardigheid hebt ontwikkeld in je response, dan ben je verloren feitelijk. Nu lijkt het slim om dit ‘aan de kaak’ te stellen, maar wat schiet JIJ hiermee op? Mij lijkt het een leuk idee, om er een humoresk stripboek van te maken, dat je in de wachtkamers van de GGZ kan neerleggen. Ken je deze? https://www.youtube.com/watch?v=Ow0lr63y4Mw

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *