Main content

Paul Hooff heeft in 1992 een verschijning meegemaakt. Hij schrijft: “Ik heb die verschijning weliswaar als heel bijzonder, maar nooit als ‘ziekelijk’ ervaren”.

De vraag welke betekenis mensen toekennen aan spirituele of religieuze ervaringen tijdens hun manie of psychose krijgt steeds meer aandacht. Ook van wetenschappers. Zo promoveerde geestelijk verzorger Eva Ouwehand ruim een jaar geleden op een onderzoek naar die vraag.

Zelf was ik één van de 43 mensen die door Eva en een psychiater in opleiding in verband met het onderzoek werd geïnterviewd

Tijdens die ontmoeting vertelde ik dat de oud- directeur van de Interkerkelijke Coördinatie Commissie Ontwikkelingsprojecten (ICCO) waar ik op dat moment werkzaam was, mij op 2 januari 1992 in alle vroegte verscheen. Omdat hij uitgerekend op Goede Vrijdag¹ 1988 onder een sneeuwlawine in de Zwitserse Alpen was begraven én ik bevangen door de kou wakker werd, voelde die verschijning op dat moment als een bemoedigend verrijzenisverhaal. Juist op dat moment namelijk verkeerde ik in een uitzichtloos arbeidsconflict over de zogenaamd ‘christelijke’ identiteit van ‘mijn’ organisatie.

De oud-directeur, een vurig pleitbezorger van gerechtigheid en barmhartigheid, kwam daarbij als geroepen en maakte een passage uit Psalm 118 ineens heel betekenisvol: ‘Ik was gevangen en riep: God. En Hij heeft mij geantwoord. Hij heeft mij de ruimte gegeven, Hij komt voor mij op als een vriend’.

Nu heb ik die verschijning weliswaar als heel bijzonder, maar nooit als ‘ziekelijk’ (lees: manisch of psychotisch) ervaren

En waarom ook? Zeker binnen religies en mystiek worden verschijningen en visioenen doorgaans als normaal en inclusief gezien en dus niet in twijfel getrokken. Denk alleen maar aan de verschijning die Paulus onderweg naar Damascus overkwam, de verschijning in de kapel van San Damiano die bezit nam van Franciscus van Assisi en de visioenen van Beatrijs van Nazareth. Wel kan zo’n ervaring je doen ontsporen, omdat die zich doorgaans moeilijk laat verenigen met je normale leven.

Op de website van de KRO/NCRV verwoordde Hein Blommestijn van het Titus Brandsma Instituut² dat ‘ontsporen’ een aantal jaren geleden treffend: “Mensen raken in verwarring wanneer God hen ten diepste aanraakt en hun leven op zijn kop zet. Ze vragen zich af of ze gek zijn geworden. Ze zwijgen en trekken zich terug, want ze beseffen een taal te spreken die door niemand begrepen wordt”.

Omdat mijn taal niet werd begrepen, deed ook ik er gaandeweg 1992 het zwijgen toe

Ik liet me eind dat jaar opnemen in het toenmalige Christelijk Sanatorium in Zeist. Daar beoordeelden mijn behandelaars mijn verschijning als ‘manisch’ en mijn ontsporing als ‘depressief’. Gelukkig heeft de opkomst van de constructieve verbindende gespreksvoering ertoe geleid dat mijn verpleegkundig specialist bij Indigo anno 2021 respectvol met mijn ervaringen omgaat. De verschijning die mij overkwam, koester ik tot op de dag van vandaag. Als niet-ziekelijk wel te verstaan.


Paul van Hooff (1958) studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde. Een reis door het Verre Oosten maakte recht en onrecht tot een belangrijke thematiek in zijn leven. Hij werkte bij twee ontwikkelingsorganisaties en daarna als communicatieadviseur bij diverse overheden.

Lees meer over Paul op zijn website www.ornitholoog.nl

¹Op Goede Vrijdag herdenken christenen het lijden en de dood van Christus.
² Het Titus Brandsma Instituut is een wetenschappelijk onderzoeksinstituut met internationale en interdisciplinaire oriëntatie dat gericht is op de studie van christelijke mystiek en spiritualiteit.

Meer lezen over spiritualiteit?

  • Deel deze pagina:

Reacties:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *