Main content

Stijn Vanheule is hoogleraar klinische psychologie en psychoanalyse aan Universiteit Gent. Hij is auteur van het boek ‘Waarom een psychose niet zo gek is’. In deze blog staat hij stil bij de zin en onzin van psychotische belevingen.

Psychotische ervaringen worden door velen opzijgezet als pure onzin. Wat tijdens een psychose verschijnt, lijkt dan louter het ruissignaal van een ontregeld brein. Boeken zoals Een dag uit het leven van Tinkerbel van Imke Gilsing of Filosofie van de waanzin van Wouter Kusters (recent ook gepubliceerd in het Engels) geven een ander beeld. De auteurs beschrijven hoe hun psychotische crisissen het vertrekpunt waren van een zoektocht naar hoe ze staan ten aanzien van zichzelf en de wereld.

In het verlengde van boeken als deze, benader ik psychose als een crisis in het proces van talige zinverlening

Als mens worstelen we allemaal met hoe we ons leven best kunnen begrijpen en vormgeven. Via woorden en verhalen zoeken we een weg. In een psychose kraakt die taal en precies daarom is het een momentum om zin en onzin een nieuwe plek te geven, en om je anders te verhouden tegenover het onverklaarbare.

Het boek Incandescent Alphabets van Annie Rogers is op dit punt ongemeen boeiend. Rogers is een Amerikaanse hoogleraar klinische psychologie en psychoanalytica die onder meer aan de hand van haar eigen levensverhaal heel helder beschrijft hoe dit veranderingsproces kan vormkrijgen.

Rogers kampte twintig jaar lang met psychotische episodes

Reeds als kind had ze er last van en begreep ze niet zo goed wat woorden betekenen, had ze vaak de indruk haar lichaam te verliezen, en voelde ze bevreemding ten aanzien van haar leefomgeving. Als volwassene hoorde ze bovendien ook stemmen en verloren woorden nu en dan hun betekenis, waardoor ze niet zo goed meer wist of ze nog bestond.

Om een psychose te boven te komen, getuigt Rogers, moet iemand kunnen uitdrukken wat hij zich nog nooit kon voorstellen: met nieuwe woorden, beelden, vormen, klanken en scenario’s expressie geven aan wat je beroert. Zoiets lukt alleen maar als je een taal vindt waarin je eigen stem en stijl doorklinken. Een taal die aansluit bij de vormentaal van je psychose en die tegelijkertijd de juiste cadans volgt, één waardoor je niet wordt platgewalst.

Zelf vond Rogers die taal door vier jaar intense gesprekstherapie

De therapiesetting bood haar een forum om te spreken en te exploreren. Stap voor stap kreeg ze zo vat op moeilijke ervaringen van vroeger, waardoor ze het nu-moment beter aankan. Via het verhaal in de therapie kregen haar psychotische symptomen zin. Althans gedeeltelijk toch, want er is een limiet aan deze zinverlening. Altijd bleef er nog een ‘nub of nonsense’ aanwezig, stelt ze, een rare knoop die niet valt te ontwarren en die wars blijft van betekenis. Dààr uitdrukking aan geven is lastig. Tenzij je die kleine absurditeiten precies omarmt en manieren zoekt om ze afgebakend tot uiting te laten komen, zoals Rogers doet. Ze schrijft daarover het volgende:

“In feite heb ik geleerd om ingefluisterde stukjes onzin zo sterk te vertrouwen dat ik het aandurf om losse zinnen toe te voegen aan abstracte schilderijen, tekeningen en afdrukken. Die zinnen lijken uit het niets te komen. Eerst was ik bang dat het neerschrijven ervan me opnieuw zou blootstellen aan psychose, maar ik schrijf die onzin nu al verschillende jaren op in kleine schetsboeken, en val niet ten prooi aan psychose.”

Tijdens haar psychotische episodes begon Annie Rogers met schilderen en tekenen

Een opleiding in de kunsten heeft ze nooit gehad, maar spontaan werkte ze in een stijl die ze zelf linkt aan de befaamde Prinzhorncollectie. Zo ontwierp ze als oplossing voor de zinloosheid van de taal ooit een ‘goddelijk alfabet’. In haar boek geeft ze er fragmenten van weer, en wordt meteen duidelijk dat het een taal is waar geen andere sterveling ooit wijs uit wordt.

Ook nadien ging ze door met schetsen en nu nog maakt ze tekeningen en prints die ze soms vergezeld laat gaan van bondige zinnen. “Vrolijke schetsen van eigenaardige onmogelijkheden” noemt ze het.

Annie Rogers, Wouter Kusters en Imke Gilsing leren me dat een psychose een kantelmoment kan zijn om anders uit te drukken wat je beleeft

Het bevreemdende karakter van psychotische ervaringen veegt heel veel houvast weg. Daardoor lijken ze absurd en voel je je alleen. Als een dergelijke crisis de aanleiding wordt om te vertellen wat je ervaart, kan je vat krijgen op de zin en betekenis van je belevingen, waardoor je deze kan inpassen in je ruimere leefwereld.

Aan dit vertellen zit evenwel een limiet. Psychotische ervaringen dragen veelal ook een pak onbevattelijkheid met zich mee. Om daar uiting aan te geven, heb je een leef- en expressiestijl nodig die vormgeeft aan je eigenheid. Rogers vond die in haar artistieke werk, Kusters in de filosofie, en Gilsing in literaire autobiografie. Prachtig vind ik dat.


Stijn Vanheule is hoogleraar klinische psychologie en psychoanalyse aan Universiteit Gent en auteur van het boek ‘Waarom een psychose niet zo gek is

Het boek ‘Waarom een psychose zo gek niet is‘ hier te koop.

Meer lezen van Stijn Vanheule?

  • Deel deze pagina:

Reacties:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.