Main content

In de GGZ bestaat een oud debat rondom trauma en psychose dat voortwoedt tot de dag van vandaag. Dit debat gaat over de rol van psychische trauma’s tijdens de jeugd, zoals pesten, misbruik of verwaarlozing, in relatie tot de diagnose ‘schizofrenie’ – en meer in het algemeen in relatie tot psychosegevoeligheid op volwassen leeftijd. Lees er meer over in deze geschiedenis van trauma & psychose.

Het verband tussen trauma en psychose werd lang niet gezien

De bekende antropoloog Woo-kyoung Ahn bestudeerde de GGZ en kwam tot de conclusie dat hulpverleners denken in termen van een ‘biologie versus psychosociaal’ tweedeling. Deze dichotomie beschrijft dat traumatiserende gebeurtenissen in de jeugd een goede verklaring zijn voor latere psychische klachten als depressie, angststoornissen en bulimia, maar niet voor ‘ernstige’ aandoeningen als ‘schizofrenie’. Want van ernstige aandoeningen als ‘schizofrenie’ is de aanname dat die door interne biologische factoren worden veroorzaakt.

Dit was dan ook lang de manier waarop het werkte in de GGZ, met name in de dominante versie hiervan uit Noord-Amerika. Had je een depressie en was je getraumatiseerd, dan vond men dat psychotherapie is geïndiceerd om de trauma’s te verwerken. Had je echter de diagnose ‘schizofrenie’ (psychosegevoeligheid) of bipolaire stoornis (bipolaire stemmingsgevoeligheid) en was je (ernstig) getraumatiseerd, dan wilde geen psychotherapeut je behandelen vanwege de mythe (namelijk nooit onderzocht of aangetoond) dat traumabehandeling je hersenziekte nog verder zou ontregelen, en je zou destabiliseren met het risico op recidief, chroniciteit en zelfs suïcide.

Samenvattend:

Trauma in de jeugd mocht geen oorzaak zijn voor psychotische beelden, en hadden deze mensen toch trauma’s meegemaakt dan was psychotherapie gecontra-indiceerd omdat het hun hersenziekte zou ontregelen. Vanuit Noord-Amerika hadden deze ideeën een weg gevonden naar de academische psychiatrie in Europa, met name die van het Verenigd Koninkrijk, maar ook die van Nederland.

Weerstand tegen de mogelijke rol van trauma bij psychose

De Amerikaanse psychiater en onderzoeker Fuller Torrey heeft zich altijd enorm ingezet voor mensen met een psychosegevoeligheid. Hij wees op de erbarmelijke situatie van patiënten in Amerikaanse gevangenissen, en de inhumane manier waarop patiënten in de grote steden aan hun lot werden (en worden) overgelaten, veroordeeld tot een zwervend bestaan vol geweld. Echter wetenschappelijke beschouwing van de mogelijkheid dat de symptomen van deze patiënten iets te maken zouden kunnen hebben met trauma’s in de jeugd kon rekenen op zijn meest sarcastische tegenstand. Hij schetste een beeld van psychotherapeuten die patiënten met een diagnose van schizofrenie of andere psychotische stoornis op valse wijze een trauma zaten aan te praten, om zo hun eigen zaakjes financieel te kunnen bevorderen.

Fuller Torrey zelf is zijn hele leven op zoek gebleven naar een ‘schizo-virus’ of ‘schizo-parasiet’. Een weg vol financiering door invloedrijke en vermogende Amerikaanse families, maar zonder concrete resultaten.

Het geloof dat een vroege virale infectie de oorzaak was van het lijden van patiënten was voor hem en anderen een vanzelfsprekende waarheid. Van het idee dat vroege trauma’s mogelijk een rol zouden kunnen spelen moesten ze niets hebben. Sterker nog, voor hen was dat bewijs van charlatanisme. Ik vermeld hem hier om te illustreren hoezeer goede bedoelingen en een verwrongen visie met elkaar op gespannen voet kunnen staan.

Is de weerstand voorbij?

John Read en Richard Bentall schreven een boeiend artikel over de geschiedenis van de ontkenning van de rol van ingrijpende gebeurtenissen in de jeugd bij psychose in het British Journal of Psychiatry (Read & Bentall, 2012). De gevolgen van deze ontkenning maken dat in de GGZ nog altijd te weinig aandacht is voor dit gegeven.

Met name bij psychosegevoeligheid en bipolaire stemmingsgevoeligheid wordt er vaak te weinig en/of te weinig sensitief, navraag gedaan naar ingrijpende gebeurtenissen in de jeugd. Ook is er te weinig aandacht voor het feit dat het vrijwel altijd gaat om een cluster van elkaar onderling versterkende omstandigheden zoals armoede, verwaarlozing, mishandeling, misbruik, pesten, gezondheidsproblemen, leerachterstand, verslavingsproblematiek, etc. Ook wordt in de praktijk weinig gedaan met het feit dat clusters van tegenslag en ingrijpende gebeurtenissen transgenerationele patronen vertonen die soms moeilijk zijn te doorbreken. Daarnaast is er te weinig herkenning van psychische en fysieke verschijnselen die te maken hebben met de ‘verdedigingswal’ en de fysieke en mentale overlevingsmechanismen van vroege tegenslag en ingrijpende gebeurtenissen.

Als deze niet worden herkend kan de cruciale stap naar psychoeducatie en behandeling niet worden genomen. De GGZ zal daarom ‘trauma-informed’ moeten zijn.

Subjectiviteitsbias en de link trauma – psychose

Inmiddels is er een kentering waar te nemen. Dat patiënten met de diagnose ‘ schizofrenie ‘ het opvallend vaak hebben over ernstige trauma’s in de jeugd was al langer opgevallen en goed gedocumenteerd in onderzoek bij groepen patiënten. Maar het was nooit heel serieus onderzocht in de academische psychiatrie, in de vorm van methodologisch rijpere case-controle en cohortonderzoeken. Onderzoek naar de relatie tussen vroege trauma’s en latere schizofrenie is best een uitdaging, gegeven de diverse methodologische problemen waar men daarbij tegen aan loopt.

Zo zullen mensen met ernstige psychische problemen natuurlijk op zoek gaan naar redenen waarom ze zulke pech hebben gehad. Allerlei dingen in het verleden kunnen dan worden uitvergroot en aangewezen als reden voor het lijden. Misschien was iemand als kind getuige van allerlei ruzies tussen de ouders, en herinnert deze persoon zich hoe vervelend men zich indertijd hierover voelde. Mogelijk was er een keer een oom die iemand aanraakte op een manier waar hij zich als kind ongemakkelijk over voelde; misschien kan iemand zich herinneren dat de pianoleraar de neiging had haar vaker te betasten tijdens de les dan betamelijk leek. Elk mens heeft herinneringen van dingen die zijn voorgevallen in het verleden, en die in meerdere of mindere mate als traumatisch zijn ervaren.

Als we op volwassen leeftijd psychische problemen krijgen gaan we vanzelf op zoek naar het ‘waarom’ – elk mens gaat op zoek naar de reden van het lijden. Daar is niets mis mee, echter bij het wetenschappelijk onderzoek kan het tot problemen leiden.

Stel je voor dat er twee mensen zijn die in precies dezelfde mate iets vervelends hebben meegemaakt tijdens de jeugd, de een heeft op volwassen leeftijd een psychische aandoening gekregen en de ander niet. Als er een onderzoeker langskomt die de twee gaat bevragen, de een als ‘zieke’ en de andere als ‘controle’ in het kader van een case-control vergelijking, dan zal de persoon met de psychische problemen misschien veel eerder geneigd zijn dan de controlepersoon om aan de onderzoeker uit te leggen dat hij een getraumatiseerde jeugd heeft gehad. Hoewel de twee precies evenveel trauma hebben meegemaakt, is dit in de herinnering van de persoon met de psychische aandoening mogelijk uitvergroot, op zoek naar redenen die aan de huidige lijdensweg ten grondslag liggen.

In methodologische termen kan er sprake zijn van een ‘bias’ in het onderzoek, ofwel een vorm van vertekening, die tot verkeerde conclusies kan leiden. In het onderhavige geval immers zou men kunnen concluderen dat jeugdtrauma een risicofactor is voor de psychische aandoening in kwestie, terwijl in werkelijkheid het verschil tussen de ‘controle’ en de ‘zieke’ berust op een subjectieve herinterpretatie van het verleden onder invloed van psychisch lijden. Door de subjectiviteitsfactor zou in dit geval onterecht een link afgeleid kunnen worden tussen trauma en de psychische aandoening.

Dit probleem bleef lange tijd het grote twijfelpunt, en maakte dat de traumaverhalen van talloze patiënten met een psychotische stoornis niet werden gehoord, laat staan dat hiervoor behandeling werd aangeboden.

Onderzoek naar trauma en psychose leverde het bewijs

Ondanks het formidabele probleem van bovenbeschreven subjectiviteitsbias kon dankzij innovatie in het onderzoek de link tussen trauma en psychose uiteindelijk toch worden bewezen. Het gaat om onderzoek dat de laatste tien jaar het licht zag.

De belangrijkste vooruitgang kwam van longitudinaal onderzoek, uit Australië en Denemarken, bij kinderen met objectief vastgesteld trauma tijdens hun jeugd, waar ze door de kinderbescherming waren weggehaald uit de traumatiserende omgeving. Bij follow-up bleken deze kinderen vaker last te hebben van psychotische stoornissen. Zelfs de meest geharde methodoloog kan hier weinig tegen in brengen – subjectiviteitsbias kan de bevindingen in ieder geval niet verklaren.

Ook longitudinaal onderzoek uit Nederland deed een duit in het zakje. De groep van de Nederlandse onderzoeker van Os publiceerde rond de eeuwwisseling met Tony Morrison en John Read (Read et al, 2005) over het mogelijke verband tussen trauma in de kindertijd en psychose op volwassen leeftijd. Nu kan dat gesneden koek zijn, toen werd het domweg nog niet serieus genomen.

Verder was er een samenwerking tussen het Trimbos Instituut en dezelfde Nederlandse onderzoekers in 2004. Uit dit onderzoek onder meer dan 7000 Nederlanders, die random waren geselecteerd uit de algemene populatie (het NEMESIS-I onderzoek), bleek dat blootstelling aan trauma in de kindertijd, vastgesteld bij de eerste meting bij gezonde mensen, voorspellend was voor psychotische symptomen bij latere metingen (Janssen et al, 2004).

Tegelijkertijd bedachten onderzoekers in Engeland ook een mooi onderzoek. Zij gingen na in hoeverre de trauma’s die werden gerapporteerd door patiënten konden worden geverifieerd door andere mensen in de omgeving. Het bleek erg mee te vallen met het subjectiviteitsbias: mensen met psychose bleken niet minder objectief te rapporteren over hun verleden dan gezonde controlepersonen.

In 2012 publiceerde de Nederlandse groep, in samenwerking met de groep van Richard Bentall uit Liverpool (Varese et al., 2012), voor het eerst het totale overzicht van alle onderzoek naar de relatie tussen trauma en psychotische stoornissen. Uit het onderzoek bleek dat trauma een belangrijke risicofactor is voor psychotische syndromen, inclusief syndromen die onder de naam gaan van schizofrenie. De mythe dat patiënten niet objectief over hun trauma’s kunnen vertellen was rijp om te worden begraven, althans in Europa – in de Verenigde Staten is dit bepaald nog niet geaccepteerd.

Het bewijs dat behandeling van trauma bij psychose veilig en effectief is

In ongeveer dezelfde tijd dat het onderzoek een link liet zien tussen trauma en psychose, begonnen onderzoekers ook aan trials over behandeling van trauma bij psychose. Nu lijkt dat heel gewoon, maar toen werd dat als een gewaagd experiment beschouwd.

Het eerste historische onderzoek was van de groep van Kim Mueser bij patiënten met posttraumatische stressstoornis (PTSS) en psychotische stoornissen. Psychotherapie gericht op trauma gaf een grote verbetering in PTSS-symptomen, andere symptomen, ervaren gezondheid, negatieve traumagerelateerde denkbeelden, kennis over PTSS en therapeutische relatie met de behandelaar (Mueser et al, 2008).

Het tweede onderzoek werd het jaar daarna gepubliceerd (Frueh et al, 2009). Ook hier liet de behandeling een significante en persisterende verbetering van de PTSS-symptomen en andere klinische parameters zien, die aanhielden na drie maanden follow-up. Ook voldeden de patiënten niet meer aan de criteria van PTSS. Deze onderzoeken lieten voor het eerst zien dat behandeling van trauma veilig en effectief kan worden uitgevoerd bij psychosegevoeligheid. Inmiddels is dit bevestigd door veel replicatieonderzoek, ook in Nederland.


Biografie Jim van Os

Prof. dr. Jim van OsVoorzitter Divisie Hersenen, UMC Utrecht. Hij is tevens verbonden als Visiting Professor Psychiatric Epidemiology aan het Institute of Psychiatry te Londen. Hij is sinds 2011 lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en werd in 2016 benoemd tot Fellow van King’s College London

Jim van Os werkt op het raakvlak van ‘harde’ breinwetenschap, gezondheidszorgonderzoek, kunst en subjectieve ervaringen van mensen met ‘lived experience’ in de GGZ. Hij staat sinds 2014 op de Thomson-Reuter Web of Science lijst van ‘most influential scientific minds of our time’. In 2014 kwam zijn boek De DSM-5 Voorbij uit, en in 2016 het boek Goede GGZ! (samen met Philippe Delespaul e.a.).

Lees hier meer over Jim van Os. Of volg Jim op LinkedInFacebookTwitter en YouTube!

Meer informatie over trauma:

  • Deel deze pagina: