Main content

Informatie over schizofrenie

Bestaat schizofrenie wel of niet

In de afgelopen 20 jaar is veel onderzoek gedaan naar schizofrenie en psychose. De onderzoeksgroep van hoogleraar psychiatrie Jim van Os heeft samen met veel collega's in het land aangetoond dat psychose een gewone menselijke variatie is.

Eén waar je met de juiste hulp en ondersteuning vaak goed mee kan leren omgaan. Dit in tegenstelling tot wat de diagnose ‘schizofrenie’ doet vermoeden. Die wordt vaak in één adem genoemd met: ernstige hersenziekte, progressief, degeneratief en ongezeglijk. Ten onrechte, en daarom voerden we in 2015 de campagne ‘Schizofrenie bestaat niet’.

Het gaat natuurlijk niet om de naam schizofrenie

Het gaat om de vanzelfsprekendheid waarmee de term ten onrechte is gekoppeld aan pessimisme. Wetenschappelijk gezien is er een breed spectrum van nauw verwante diagnosen waarbij psychose kan voorkomen. Mensen met de diagnose schizofrenie zijn slechts een kleine groep. Van deze minderheid, herstelt een aantal mensen niet en ondervindt voortdurend ernstig lijden.

Van de herstelbeweging weten we, dat wanneer medisch herstel niet mogelijk is, er wél een mogelijkheid bestaat van perspectiefverandering. Zódanig dat mensen ondanks voortdurende ernstige beperkingen tóch een zinvol bestaan gaan ervaren. Dat heet persoonlijk herstel.

En daar is een cultuurshock voor nodig. Alleen zo bereiken we een cultuur van hoop en geloof in verandering. Dáár gaat het debat over.

Hoewel de herstelbeweging al meer dan 25 jaar actief is, bestaat er nog veel onwetendheid en worden de principes van persoonlijk herstel niet goed begrepen. Vooral over het verschil tussen medisch herstel (minder symptomen) en persoonlijk herstel (een zinvol bestaan ervaren) bestaat veel verwarring in de biologische psychiatrie.

Schizofrenie: de muur van pessimisme waar patiënten tegenaan lopen

Neem het waargebeurde verhaal van een persoon met een psychotische stoornis. Ze had bijna alle diagnosen gehad die er zijn, inclusief de diagnose schizofrenie. Het viel haar familie op met hoeveel pessimisme en negatieve verwachtingen zij werd benaderd, zowel binnen als buiten de ggz. Ze zagen hoe dat deels samenhing met het pessimisme wat is gecreëerd rond de diagnose schizofrenie.

Een psychiater sprak de familie aan over haar narcistische wens om te gaan solliciteren naar een baan. Hij veegde die wens zonder pardon van tafel.

Toen ze jaren later uiteindelijk een baan kreeg probeerde haar baas haar een week later te ontslaan. Hij had ontdekt dat ze een schizo-diagnose had gehad.

Een andere psychiater vertelde de gynaecoloog dat ze geen toestemming mocht krijgen voor in vitro fertilisatie vanwege een kinderwens. Inderdaad: vanwege de diagnose.

Een echtscheiding liet niet lang op zich wachten

Natuurlijk waren er in dit verhaal ook fantastische contacten met geïnspireerde psychiaters, psychologen en verpleegkundigen. Maar ook die moeten werken in een cultuur waar het concept van schizofrenie is omgeven door een bedrukt soort pessimisme. Een waas van somberheid en lage verwachtingen. Dit pessimisme lijkt besmettelijk. Het ligt ook op de loer bij politici, beleidsmakers en verzekeraars. En kan leiden tot de gedachte: waarom investeren in die chronische hap van mensen die toch niet beter kunnen worden?

Is het pessimisme rond de diagnose schizofrenie terecht?

Het antwoord is: nee. Harde cijfers tonen aan dat de meeste mensen met de diagnose van schizofrenie herstellen of leren leven met hun kwetsbaarheid. Ook al is er geen medisch herstel (Menezes et al., 2006).

Van de herstelbeweging leren we bovendien, dat zelfs mensen met een ernstige, schijnbaar uitzichtloze psychose, een nieuw perspectief kunnen krijgen. Een perspectief waarin ze ondanks hun beperkingen, tóch een zinvol bestaan gaan ervaren.

Dit heet persoonlijk herstel

Persoonlijk herstel is alleen mogelijk als er een perspectief wordt geboden van hoop en geloof in verandering en eigen kracht. Die hoop kan worden gevonden met andere ervaringsdeskundigen. Maar het is cruciaal dat deze hoop óók leeft in de samenleving en binnen de invloedrijke biologische psychiatrie.

En als je familielid nou niet herstelt, medisch of persoonlijk? Wij zeggen: niet opgeven, hoop blijven houden. Het heeft zeker geen zin om te zeggen: geef maar op, je hebt de diagnose schizofrenie en dat is een verwoestende hersenziekte waar nooit verbetering in kan komen.

Vergelijk het met suikerziekte

Suikerziekte is een spectrum van symptomen waar goed mee te leven valt. Maar een minderheid reageert niet op behandeling en krijgt ernstige complicaties. Gaan we voor die groep dan een aparte diagnose maken met een misleidende naam? Een naam waarvan het enige doel is om te communiceren dat ze tot de groep behoren die nooit kan genezen? Dat is toch niet het doel van een diagnose? Het doel van een diagnose is aangeven wat er gedaan kan worden om te helpen, niet om patiënten en familieleden nog wanhopiger te maken dan ze al zijn.

Waar komt dat pessimisme vandaan?

Dat is niet zo moeilijk. Kijk hoe er in de biologische psychiatrie wordt gesproken over schizofrenie. Het wordt een verwoestende hersenziekte genoemd, waar je nooit van herstelt. Zelfs in de meest prestigieuze wetenschappelijke tijdschriften zoals Nature en Science wordt al decennia lang verkondigd dat schizofrenie een genetische hersenziekte is waar je niet van kan herstellen. Terwijl dit in strijd is met de cijfers over het beloop (Menezes et al., 2006). Zo staat er het meest prestigieuze wetenschappelijke tijdschrift in de wereld, Science, over schizofrenie:

Once the symptoms of schizophrenia occur, they persist for the entire lifetime of the patient, and are almost totally disabling. (Sawa and Snyder, 2002).

De biologische psychiatrie bedoelt het natuurlijk goed. Maar ze bepalen wel het beeld dat de samenleving heeft van patiënten met de diagnose. En het beeld van de beleidsmakers, die bepalen hoeveel middelen kunnen worden gebruikt voor de ggz. Waarom geld uitgeven aan zorg voor mensen die toch niet kunnen genezen? Klein detail: er ís geen wetenschappelijk bewijs dat je van de diagnose schizofrenie kunt spreken als een hersenziekte. Het klinkt stoer. Het staat vaak zo beschreven in de media. Maar er is geen wetenschappelijk bewijs dat dit zo is. Was het maar duidelijker. Simpeler.

Konden we maar gewoon zeggen dat het een genetische hersenziekte is

Maar dat kunnen we niet. Dus moeten we het ook niet zo communiceren. Het heeft geen zin patiënten voor te lichten met informatie die niet klopt. Natuurlijk: zonder hersenen geen psychose, maar dat geldt voor alle psychische ervaringen, gezond en ziek. En andersom geldt ook: zonder psychische ervaring geen hersenen. Want de rijping en programmering van de hersenen wordt bepaald door onze psychische ervaringen - vanaf de periode in de baarmoeder.

Waarom hebben vele biologische psychiaters het dan toch over een hersenziekte?

In de folder van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, ‘in gesprek over schizofrenie’ staat:

Schizofrenie is een ziekte van de hersenen…die niet te genezen is….er is sprake van een verstoring van de activiteit van bepaalde gebieden in de hersenen. Dit uit zich in een verstoord evenwicht tussen stoffen, die nodig zijn voor de werking van de zenuwcellen. Met antipsychotische medicijnen kan dit evenwicht gedeeltelijk worden hersteld.

Tegenwoordig spreken Nederlandse onderzoekers in de biologische psychiatrie zelfs over een progressieve hersenziekte (van Haren et al., 2008).

Maar hoe komt men aan dat idee van een (progressieve) hersenziekte? Simpel: omdat uit onderzoek blijkt dat er minieme verschillen zijn tussen patiënten en controles in biologische variabelen.

Wat bedoelen we daarmee?

Bijvoorbeeld als we van een groep van 100 patiënten en 100 controles een hersenscan maken. Dan zien we hele kleine verschillen tussen de groepen. Op basis van dit soort verschillen, spreken onderzoekers vervolgens over schizofrenie als een hersenziekte. De kleine gemiddelde verschillen worden gepresenteerd als afwijkingen die kunnen fungeren als een biomarker voor de diagnose schizofrenie. Maar waar aan voorbij wordt gegaan, is dat de groepsverschillen te klein zijn om individuele voorspelling mogelijk te maken. En dan blijkt het verhaal van schizofrenie als een progressieve hersenziekte een mythe (Zipursky et al., 2013).

Een goed voorbeeld om dit verder toe te lichten is het onderzoek rond de erfelijkheid van de diagnose schizofrenie. Op dit gebied heeft de biologische psychiatrie relatief veel vooruitgang geboekt. Je leest er met enige regelmaat over in de pers: nieuwe genen voor schizofrenie gevonden!

Maar wie de bevindingen nader bekijkt, leest een ander verhaal.

Wat is de belangrijkste conclusie van het onderzoek? Dat iedere persoon in Nederland honderden genetische varianten heeft die het risico op de diagnose schizofrenie verhogen.

Met andere woorden: we zijn allemaal psychosegevoelig

De genetische varianten voor de diagnose schizofrenie zijn niet specifiek voor ziekte. Bovendien komen ze ook voor bij andere psychische syndromen zoals bipolaire stoornis en depressie.

De waarheid is dat 50 jaar intensief biologisch psychiatrisch onderzoek geen enkele diagnostische biomarker, voor geen enkel psychisch syndroom heeft opgeleverd (Kapur et al., 2012). Het belangrijkste resultaat van de biologische psychiatrie is dat er geen diagnostische resultaten zijn, waaruit we kunnen afleiden dat er specifieke ziekten bestaan zoals schizofrenie. Niet iets waar de pers aandacht aan besteedt. En iets wat maar heel weinig mensen beseffen.

Het dilemma van de biologische psychiatrie

Door schizofrenie pats-boem al decennia voor te stellen als een echte hersenziekte, heeft men zich een groot probleem op de hals gehaald. Want de wetenschappelijke bevindingen dat het om een objectieve hersenziekte gaat zijn niet hard te maken. Dus daar kan je kritische vragen over gaan verwachten – van het soort die wij stellen. Niet om te plagen, maar om een genuanceerder en minder wanhopig beeld te creëren. De tijd van oppervlakkig labelen is voorbij. De complexiteit van psychische klachten gaat gewoon veel verder dan een simpele voorstelling van hersenziekten.

Wij zijn voor biologisch onderzoek

Ook de onderzoekers van psychosenet.nl doen veel biologisch onderzoek op het gebied van de psychiatrie. Een belangrijk gebied. We zijn dan ook een fervent voorstander van dergelijk onderzoek. Maar we zijn tegen een oppervlakkige uitleg van onzekere wetenschappelijke bevindingen. Zéker als die gevolgen heeft voor het welzijn van patiënten.

Specialisten zien alleen de ergste gevallen

Er is nóg een bron van pessimisme: de academische psychiaters die de definitie van schizofrenie bepalen, zien alleen de patiënten die er het ergst aan toe zijn. Mensen met een relatief milde psychose zien zij nooit. Dat zijn mensen die op eigen kracht herstellen, of met de hulp van een huisarts, psycholoog, alternatieve genezer of andere vorm van hulp.

Logisch, dat superspecialisten van academische ziekenhuizen denken dat ‘milde’ gevallen van schizofrenie niet bestaan, simpelweg omdat ze de patiënten nooit zien. Dit staat bekend als het Berkson bias: een vertekening in het denken over de ernst van ziekten, die ook bestaat in de psychiatrie (Maric et al., 2004, Regeer et al., 2009).

Het probleem van Berkson bias is dat nieuwe patiënten bij de ggz, in feite nog alle kanten op kunnen. Maar ze worden geconfronteerd met de beeldvorming en het pessimisme van de ernstigste groep. Met andere woorden: Berkson bias is dat de meest negatieve voorspelling, het beeld bepaalt van het gehele spectrum van het ziektebeeld in kwestie. Alsof het beeld dat de samenleving heeft van suikerziekte bepaald wordt door de kleine minderheid die niet reageert op behandeling. De minderheid die ernstige complicaties krijgt van ogen, nieren en hart- en vaatstelsel.

Heeft de diagnose schizofrenie altijd een slecht beloop?

De hard core biologische psychiatrie zegt dat de ongunstige prognose van schizofrenie komt door het onderliggende biologische ziektebeeld, dat progressief is. Maar objectief onderzoek laat een genuanceerder beeld zien. Veel van het ongunstige beloop heeft namelijk niet zozeer te maken met de aandoening zelf.

Wat is nog meer van invloed op het beloop?

Vaak komt het door de slechte toegang tot zorg en behandeling. Het ontbreken van behandeling zoals psychotherapie en job-coaching. Negatieve reacties van de samenleving met uitsluiting en onderstimulatie tot resultaat. Te veel demping door medicatie. Zich onttrekken aan de behandeling. Weinig respons op behandeling. Behandeling niet volgen. Armoede.

En andere onbehandelde psychische stoornissen. Zoals posttraumatische stressstoornis, depressie, middelenmisbruik en cognitieve beperkingen (Zipursky, 2014). Deze factoren kunnen het beloop allemaal negatief beïnvloeden. Aan een heleboel van deze factoren valt wat te doen. Dus waarom het sombere beeld dat het allemaal inherent is aan de biologie van de ziekte?

In Engeland kwam een nationale onderzoekscommissie in ieder geval tot een heel andere conclusie: zij constateerden dat de ongunstige prognose mede kwam omdat de Engelse ggz functioneert als een ‘completely dysfunctional system’ – een compleet dysfunctioneel systeem van zorg. In Engeland erkent de ggz dus dat het beloop van mensen met de diagnose schizofrenie beter kan, en moet, met betere zorg (SchizophreniaCommission, 2012).

DSM-5 zegt: schizofrenie bestaat niet

Dat hebben wij niet verzonnen. Dat staat gewoon in de DSM-5. Daar staat dat schizofrenie bestaat uit een stel criteria die grofweg een groep mensen omschrijven zodat psychiaters met elkaar kunnen communiceren. De DSM-5 waarschuwt nadrukkelijk dat we niet moeten denken dat het hier gaat om een objectieve, vast omschreven ziekte. Dat kan ook niet, want de criteria voor de diagnose veranderen met elke revisie van de DSM-5 en elk internationaal classificatiesysteem heeft zijn eigen criteria voor schizofrenie. De criteria zijn dus aan nogal wat veranderingen onderhevig.

Dezelfde persoon krijgt in Engeland een andere schizofrenie diagnose dan in Amerika

Hoe kan dat? ‘Schizofrenie’ wordt door psychiaters in Engeland, Frankrijk en Duitsland anders gedefinieerd dan in Nederland. Omdat ze daar niet de DSM5 uit Amerika gebruiken, maar de ICD10 van de Wereldgezondheidsorganisatie.

Wat is het verschil?

Vergeleken met de DSM-5 heeft de ICD10 een bredere en meer optimistische definitie van schizofrenie. In de criteria van DSM-5 zit namelijk ingebouwd dat het chronisch moet zijn, terwijl dat niet zo is in ICD10. ‘Schizofrenie’ is dus gewoon een afspraak – en de diagnose verandert over de tijd en verschilt van land tot land. Het is dus geen objectieve ziekte.

We ontkennen dus niet dat er zieke mensen zijn die ernstig lijden

Laat dat duidelijk zijn. Die mensen zijn er natuurlijk wel, en hun zorgbehoeften zijn reëel. We zeggen dat zieke mensen ten onrechte worden opgezadeld met pessimistische vooruitzichten en verkeerde ideeën. Afgesproken door anonieme commissies. Almaar veranderende afspraken.

Als schizofrenie als objectieve ziekte niet bestaat. Hoe kunnen we dan informeren, diagnoses stellen en werken?

Iedereen heeft psychosegevoeligheid – zoals we zagen. Maar niet iedereen krijgt een psychose waar je hulp voor nodig hebt. Psychose is een mix van verschillende symptomen zoals wanen, hallucinaties, problemen met aandacht en geheugen, motivatieproblemen en depressie of manie.

Iedere patiënt heeft zijn eigen mix van deze symptomen zodat er een heel breed spectrum is van hoe de psychosegevoeligheid zich kan uiten. Dit kunnen we psychosespectrumsyndroom noemen of Psychosis Susceptibility Syndrome, afgekort als PSS (George and Klijn, 2013). Onder PSS vallen al die verschillende DSM-diagnosen van psychose zoals schizofrenie, schizo-affectieve stoornis, schizofreniforme stoornis, waanstoornis, affectieve psychose, psychose NAO, korte psychotische stoornis, een door middelen geïnduceerde psychose, etc.

Een beetje van dit, een beetje van dat. Het syndroom dat PSS heet

Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat al de verschillende DSM-diagnosen die onder PSS vallen niet duidelijk van elkaar te scheiden zijn. Ze zijn in feite allemaal onderdeel zijn van hetzelfde psychose spectrum. Ze vormen samen PSS.

Ongeveer 3.5% van de bevolking wordt getroffen door PSS, waarvan minder dan 30% de diagnose schizofrenie krijgt (Perala et al., 2007). Schizofrenie zit eigenlijk aan het uiteinde van een psychose spectrum. Daar waar de patiënten zitten met de meest ernstige verschijnselen.

Gek genoeg is er momenteel eigenlijk maar één diagnose van psychose die er toe doet. En dat is schizofrenie – hoe het ook gedefinieerd wordt. Maar de diagnose schizofrenie is slechts een onderdeeltje van een veel breder spectrum van DSM-diagnosen van psychose. Dat zijn we helemaal uit het oog verloren. Daarom laten we nu ons licht schijnen op het brede spectrum van PSS en niet alleen op de minderheid met de ernstigste vorm.

Waarom wordt PSS syndroom genoemd en niet gewoon een ziekte?

Men heeft het over een syndroom en niet over een ziekte omdat syndroom de lading beter dekt. In de geneeskunde wordt met syndroom een mix van symptomen bedoeld, die in combinatie met elkaar kunnen voorkomen. Het is onduidelijk of er onder die symptomen een ziekte zit, of meerdere ziekten, of misschien helemaal geen ziekte – misschien zijn er alleen maar symptomen. We weten het gewoon niet.

Het woord syndroom gebruiken, betekent dus dat je zegt dat je het eigenlijk niet zo goed weet en je daarom een beetje op de vlakte houdt. Niet stoer doen door met genetische hersenziekte-terminologie te smijten, maar een wat bescheidener opstelling zodat er geen misverstanden ontstaan. Misverstanden die een negatieve invloed kunnen hebben op het leven van veel mensen.

Vergelijk het met kanker – dat is een enkel breed woord waar alle verschillende soorten onder vallen, begrepen en niet begrepen. Laten we het ook zo aanpakken bij het spectrum van psychose: PSS als een breed containerbegrip. En wie weet wat we er nog allemaal onder gaan vinden.

Naar een persoonlijke diagnose

PSS is in feite zó breed als diagnose, dat het dwingt tot een meer fijnmazige, persoonlijke beschrijving. Wat is de specifieke mix van symptomen bij deze specifieke persoon met PSS? Deze specifieke mix is de persoonlijke diagnose van de patiënt. Dus hoewel de eerste diagnose misschien PSS kan luiden, kan dat niet gebruikt worden om mensen over een kam te scheren en te stereotyperen, zoals nu gebeurt bij schizofrenie. PSS is te breed en te variabel hiervoor. PSS is slechts een uitnodiging tot het maken van een persoonlijke diagnose op basis van de specifieke mix van symptomen van deze unieke persoon.

Conclusie: laat de toekomst beginnen.

Wij zijn niet de enigen, en ook niet de eersten

Over de hele wereld gaan er steeds meer en steeds krachtiger geluiden op om de schizo-mythe te ontmantelen (George and Klijn, 2013, Henderson and Malhi, 2014, Kinderman et al., 2013, Moncrieff and Middleton, 2015, van Os, 2009). Overigens is dit niets nieuws: al in 1976 had een beroemd Nederlands psychiater, Herman van Praag, het over het ‘onmogelijke begrip schizofrenie’ (van Praag, 1976a, Van Praag, 1976b) en de ‘tunnelvisie in de biologische psychiatrie’ (Van Praag et al., 1990).

Een andere beroemde Nederlandse psychiater, Piet Kuiper, waarschuwde al voor het gebruik van de diagnose schizofrenie om wanhoop en hopeloosheid over te brengen (Kuiper, 1976).

Wat wij willen zeggen is: hou op met al die geleerde maar, wetenschappelijk gezien, lege schizo-woorden. Hou op met die pessimistische voorspellingen. Geef liever realistische, wetenschappelijk correcte en daarmee hoopvolle hulp aan mensen met PSS als start voor een persoonlijke diagnose.

Een syndroom waar 3.5% van de bevolking mee te maken krijgt, maar waar de meesten van herstellen.

En voor de mensen die niet herstellen moeten we alles uit de kast halen om een zo goed mogelijk resultaat te halen. We moeten niet alleen streven naar een medisch herstel, maar ook naar maatschappelijk en persoonlijk herstel.

Wees dus niet pessimistisch, en geef ons alle middelen die nodig zijn om dat te bereiken. Want er is altijd hoop op verandering. Niemand verdient het veroordeeld te worden tot levenslange negatieve verwachtingen omdat die cultureel zitten ingebakken in een lege diagnostische huls.

PsychoseNet.nl is er om een bijdrage te leveren aan het herstel van zo veel mogelijk mensen met PSS. We willen mensen helpen te leren omgaan met hun psychosegevoeligheid.


George, B. & Klijn, A. (2013). A modern name for schizophrenia (PSS) would diminish self-stigma. Psychol Med 43, 1555-7.

Henderson, S. & Malhi, G. S. (2014). Swan song for schizophrenia? Aust N Z J Psychiatry 48, 302-5.

Kapur, S., Phillips, A. G. & Insel, T. R. (2012). Why has it taken so long for biological psychiatry to develop clinical tests and what to do about it? Mol Psychiatry 17, 1174-9.

Kendler, K. S. (2015). A joint history of the nature of genetic variation and the nature of schizophrenia. Mol Psychiatry 20, 77-83.

Kinderman, P., Read, J., Moncrieff, J. & Bentall, R. P. (2013). Drop the language of disorder. Evid Based Ment Health 16, 2-3.

Kuiper, P. C. (1976). Hoofdsom der psychiatrie. Bijleveld: Utrecht.

Maric, N., Myin-Germeys, I., Delespaul, P., De Graaf, R., Vollebergh, W. & Van Os, J. (2004). Is our concept of schizophrenia influenced by Berkson's bias? Soc Psychiatry Psychiatr Epidemiol 39, 600-5.

Menezes, N. M., Arenovich, T. & Zipursky, R. B. (2006). A systematic review of longitudinal outcome studies of first-episode psychosis. Psychol Med 36, 1349-62.

Moncrieff, J. & Middleton, H. (2015). Schizophrenia: a critical psychiatry perspective. Curr Opin Psychiatry.

Perala, J., Suvisaari, J., Saarni, S. I., Kuoppasalmi, K., Isometsa, E., Pirkola, S., Partonen, T., Tuulio-Henriksson, A., Hintikka, J., Kieseppa, T., Harkanen, T., Koskinen, S. & Lonnqvist, J. (2007). Lifetime prevalence of psychotic and bipolar I disorders in a general population. Arch Gen Psychiatry 64, 19-28.

Regeer, E. J., Krabbendam, L., De Graaf, R., Have, M. T., Nolen, W. A. & Van Os, J. (2009). Berkson's bias and the mood dimensions of bipolar disorder. Int J Methods Psychiatr Res 18, 279-86.

Sawa, A. & Snyder, S. H. (2002). Schizophrenia: diverse approaches to a complex disease. Science 296, 692-5.

SchizophreniaCommission (2012). The Abandoned Illness. Report by the Schizophrenia Commision. Rethink: London.

van Haren, N. E., Cahn, W., Hulshoff Pol, H. E. & Kahn, R. S. (2008). Schizophrenia as a progressive brain disease. Eur Psychiatry 23, 245-54.

van Os, J. (2009). 'Salience syndrome' replaces 'schizophrenia' in DSM-V and ICD-11: psychiatry's evidence-based entry into the 21st century? Acta Psychiatr Scand 120, 363-72.

van Praag, H. M. (1976a). About the impossible concept of schizophrenia. Compr Psychiatry 17, 481-97.

Van Praag, H. M. (1976b). Over het Onmogelijke Begrip Schizofrenie. Tijdschrift voor Psychiatrie 18, 5-24.

Van Praag, H. M., Asnis, G. M., Kahn, R. S., Brown, S. L., Korn, M., Friedman, J. M. & Wetzler, S. (1990). Nosological tunnel vision in biological psychiatry. A plea for a functional psychopathology. Ann N Y Acad Sci 600, 501-10.

Zipursky, R. B. (2014). Why are the outcomes in patients with schizophrenia so poor? J Clin Psychiatry 75 Suppl 2, 20-4.

Zipursky, R. B., Reilly, T. J. & Murray, R. M. (2013). The myth of schizophrenia as a progressive brain disease. Schizophr Bull 39, 1363-72.