Main content

Paul van der Laan vertelt hoe zijn voorstelling ‘Heen’ tot stand kwam, waarin het verhaal van een man met zijn psychose wordt verteld. “Hier moest het over gaan: vertrouwen. En het gebrek eraan. Vertrouwen in mijn eigen gedachten. Vertrouwen in mijn naasten. Vertrouwen in medicijnen. Vertrouwen in zorgverleners. Vertrouwen dat ik mij aan mijn haren uit dit moeras op kon trekken. Vertrouwen in mijn lijf.”

Al twintig jaar maak ik, Paul van der Laan, met mijn theatergroep Bambie voorstellingen waarin wij een fysieke, beeldende vertaling zoeken voor de innerlijke roerselen van de mens. Zo’n vier jaar geleden ontstond bij mij de behoefte om een voorstelling te maken over de psychoses waar ik vanaf mijn 20ste mee te kampen had. Eerder gebruikte ik ervaringen uit deze periodes wel eens als inspiratiebron voor een specifieke scène. Maar bij mijn solo “Heen”, die onlangs in première ging en nu op tournee is, lukte het mij voor het eerst om mijn psychoses hét onderwerp te maken van een voorstelling.

“Heen” gaat over een man die terugkeert in de kamer waar hij tijdens een opname verbleef

In fragmenten – beeldende scènes met een minimum aan woorden – reconstrueer ik mijn ervaringen van toen. Die fragmenten komen overeen met de fragmentarische herinneringen van de man. Deze blog gaat over het zoeken en vinden van een rode draad voor de voorstelling, een duidelijke gevoelslaag die de losse fragmenten kon verbinden. ‘Een gedachte, die als een soort brandstof de voorstelling gaande kan houden: in een psychose vertrouw ik mezelf niet meer. Als ik mezelf niet vertrouw, kan ik anderen ook
niet vertrouwen.’ Dit schreef ik op 7 januari 2019 in het werkboek dat ik bijhoud bij het maken en spelen van elke nieuwe voorstelling.

Bij het teruglezen van dit dagboek realiseerde ik me dat ‘vertrouwen’ een sleutelwoord was bij het maken van “Heen”

Voordat bovenstaande gedachte in mij opkwam had ik er al een aantal repetitieweken, verspreid over de jaren, opzitten. Mijn hoofd zat vol beelden en teksten, maar toen ik deze vertaalde naar het podium, raakten die nog niet de kern van wat ik wilde vertellen. Wat ik zeker wist was dat de solo zich moest afspelen in een denkbeeldige kamer in de instelling waar ik opgenomen ben geweest. Na een presentatie in Utrecht van wat ik tot dan toe had gemaakt, reed ik met een vriend terug in de trein naar Amsterdam. Hij zei: “Ik weet nog dat ik je toen zo moeilijk kon bereiken. Je kon er niets aan doen, maar in je denken en in je handelen haalde je het vertrouwen dat tussen ons bestond, meedogenloos onderuit.’ Dat gesprek was voor mij aanleiding om de voorstelling grondig te herzien. Hier moest het over gaan: vertrouwen. En het gebrek eraan. Vertrouwen in mijn eigen gedachten. Vertrouwen in mijn naasten. Vertrouwen in medicijnen. Vertrouwen in zorgverleners. Vertrouwen dat ik mij aan mijn haren uit dit moeras op kon trekken. Vertrouwen in mijn lijf.

Alles wat altijd vanzelfsprekend was geweest, verdween in mijn psychose-periodes

Ik vertrouwde niks en niemand meer. En dat gevoel wilde ik overbrengen op het publiek. Maar hoe moest ik iets verbeelden wat er juist niet was? Terwijl ik in mijn eentje op het podium stond? Toen gebeurde er iets wat ik en mijn regisseur niet hadden kunnen bedenken. Vanwege corona waren de première en de tournee van “Heen” uitgesteld, maar Theater LUX in Nijmegen vroeg of ik mijn solo toch in een livestream wilde komen spelen. Ook LUX was voor publiek gesloten, maar met een bevlogen technisch team was het Nijmeegse theater tijdens de lockdown veranderd in een tv-studio. In de voorlopige versie van de voorstelling gooide ik in één van de (nog wat losstaande) scènes uit euforie maar ook uit wanhoop een fles water over me heen.

Omdat de medicijnen me verdoofd hebben, wil ik de kou van het water over mijn lijf voelen

De waterplas die ontstaat, wilde ik daarna op de toneelvloer laten liggen. Bij het voorbereiden van de livestream bleek de waterscène een probleem voor de zendmicrofoon die ik vanwege het geluid op moest hebben. Bovendien wilde LUX geen water laten liggen op de kwetsbare toneelvloer; het moest meteen na de scène worden opgeruimd. We kwamen toen samen met de technici op het idee om Frans, de man die tijdens de livestream verantwoordelijk was voor het geluid, na de waterscène op het podium te laten komen. Zodat hij de zendmicrofoon, die ik voor het over mijn hoofd gieten van het water zou lostrekken, weer opnieuw bij mij kon aanbrengen, en hij de waterplas kon opvegen.

Tijdens het repeteren van deze handelingen, toen Frans met een mooie professionele rust met mij bezig was, bedacht ik dat hij op dat moment de verpleegkundige kon spelen die mijn denkbeeldige kamer binnenkomt. Hij kon wel eens degene zijn die ik als enige nog kon vertrouwen. Terwijl hij liefdevol mijn natte hoofd met een handdoek droogwreef, liet ik Frans mij geruststellend toespreken. En dat deed hij geweldig.

Deze toevalstreffer bleek een schot in de roos

De voorstelling kreeg hierdoor een diepere laag. Ik kon Frans vragen ‘of hij nog lang door moest werken’. En ik kon tegen het online-publiek vertellen dat hij ‘er altijd was’. Als hij na zijn bezoek mijn kamer verlaat en niet meer terugkomt, maakt zijn vertrek mij des te eenzamer. Degene die ik dacht te vertrouwen doet gewoon zijn werk. In een latere scène in de voorstelling leg ik mijn hoofd, dat zwaar geworden is van de medicijnen, in de schoot van iemand uit het publiek. Bij de livestream deed ik dat bij een van de cameramensen. Na de ‘verzorgersscène’ met Frans ging ook die scène ineens over het zoeken naar iemand die ik kon vertrouwen. Ook degene bij wie ik mijn hoofd te ruste legde, werd een ‘personeelslid’ die ik nu vroeg naar zijn of haar naam. En na het horen van die naam, verzuchtte ik:

‘Oh, weer een nieuw iemand…’

Opeens bleken beide scènes aan te sluiten op de situatie waarmee ik tijdens mijn verblijf in de inrichting destijds moest omgaan: het anonieme komen en gaan van verpleegkundigen, waardoor ik het gevoel had dat ik met niemand daar een vertrouwensband kon opbouwen. Mijn keuze om de voorstelling in een onpersoonlijke en kille kamer in een instelling te laten afspelen, bleek daar met terugwerkende kracht aan bij te dragen. Na de livestream hebben we de scène waarin de licht- en geluidstechnicus mij als mijn ‘verzorger’ komt afdrogen en het water komt opdweilen, behouden. Zo werden taferelen die ik vóór de ‘toevalstreffer’ in LUX als willekeurig beschouwde, ingebed in het mijn opnieuw beleefde verleden.

Iets maken over iets dat er niet was, bleek mogelijk

In de tijd van mijn psychoses was vertrouwen in wat of wie dan ook ver te zoeken. Mijn voorstelling gaat over de poging om dat vertrouwen in mezelf en in de mensen om mij heen, terug te winnen. En het feit dat ik “Heen” heb kunnen maken, en dat zo veel toeschouwers er ontroering en herkenning in vinden, getuigt ervan dat ik dat vertrouwen terug heb gevonden.


Paul van der Laan is theatermaker

Heen” speelt nog tot begin december, informatie vindt u op: www.bambie.nu .

Mijn wens is om de voorstelling ook te spelen bij instellingen, organisaties en zelfregie-bijeenkomsten voor mensen met een psychosegevoeligheid en hun naasten. Mocht u daar belangstelling voor hebben, dan kunt u contact met mij opnemen: paulvderlaan@gmail.com.

Foto:  Jona Rotting

Meer lezen over theatershows over een psychische kwetsbaarheid?

  • Deel deze pagina:

Reacties:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *