Main content

Schizofrenie bestaat niet, gelukkig’ juichten Wilma Boevink en Jim van Os volgens professor dr. Iris Sommer. Ze had hen graag gelijk willen geven, zo schrijft ze in De Psychiater, want het is ook haar doel de ziekte uit de wereld te helpen.
Laten we patiënten en familie niet blij maken met een dooie mus’ besluit ze echter wijselijk.


De openingszin van Sommer doet me direct denken aan een debat dat ik als tweedejaars student gezondheidswetenschappen voerde, alweer een paar jaar geleden. Vooruitstrevend als we in Maastricht zijn debatteerden we toen al over de kwestie of schizofrenie bestaat of niet, en was de inhoud ervan niet heel veel anders dan het geluid van nu.

Terugkijkend had geen van ons studenten denk ik écht een idee waar we het over hadden en wat het belang van de discussie was, maar googelen en creatief onderzoeksresultaten presenteren konden we allemaal en dus volgde een vermakelijk debat.

Het lot bepaalde dat ik in kamp ‘schizofrenie bestaat niet’ werd ingedeeld. Daar was ik heel content mee want na enig naslagwerk bleek ik ook inderdaad de meeste feeling te hebben met die groep. In mijn zoektocht naar goede argumenten stuitte ik al gauw op ‘Van Os et al’. Geen idee wie de beste man en zijn collega’s waren, ook het feit dat hij nota bene aan mijn eigen universiteit was verbonden is me destijds geheel ontgaan. Desalniettemin las ik de artikelen van zijn hand met veel interesse en stond ik volledig achter de nadruk die hij legde op de invloed van sociale- en omgevingsfactoren op het ontstaan van psychopathologie en het dimensionele karakter van ‘schizofrenie’.

Op de dag van het debat had ik mijn woordje klaar en voelde ik me door Van Os en collega’s gewapend tegen het ‘ontregeld-dopaminesysteem-en-gendefect- geschut’ van de tegenpartij.

Zoals dat hoort bij een debat had ik me netjes verdiept in hun standpunt en de argumenten bestudeerd die zij waarschijnlijk gingen aandragen.

Geheel naar verwachting werd geopend met de argumenten dat tweelingstudies een genetische component hadden onthuld, uit meta-analyses bepaalde hersenafwijkingen waren gerold en natuurlijk de theorie van het ontregelde dopaminerge systeem. Volgens mijn tegenpartij onomstotelijk bewijs dat schizofrenie een hersenziekte was, en nog verdomd ernstig ook want: niet te genezen en progressief.

Allemaal leuk en aardig, vonden mijn teamgenoten en ik, maar overtuigd waren we niet. Tuurlijk, in de oren van een beetje leek klonk al dat organische bewijs sterk, maar wie echt goed luisterde had door dat de presentatie van onderzoeksresultaten misleidend was.

‘Vier keer meer kans op’ klonk als enorm veel, maar in het licht van een eigenlijke kans van 0,008% werd dat argument opeens een stuk minder indrukwekkend.

Die eigenlijke kans had de tegenpartij natuurlijk niet vermeld, een trucje wat zowel in de media als wetenschap herhaaldelijk wordt toegepast.

In mijn argumentatieronde wees ik op de zin- en onzin van de zogenoemde positieve en negatieve symptomen, het feit dat een deel van de algemene bevolking stemmen hoort en verschijningen ziet zonder daar last van te hebben en de link tussen bepaalde sociale- en omgevingsfactoren op het ontstaan van psychopathologie. Zoals affectieve, cognitieve en psychotische klachten. Tenslotte stelde ik een dimensioneel model voor en een meer menselijke benadering van psychopathologie. Een die het niet heeft over ziekte en patiënten, maar over (vaak begrijpelijke) klachten en een mens.

En toen kwam het.

De tegenpartij, al praktisch gezien verslagen, deed een laatste poging met emotie toch nog de stem van het publiek te winnen en zette de joker in:

Wij zouden ook heel graag willen dat schizofrenie niet bestond’ sprak mijn opponent, ‘maar het is toch wel erg kort door de bocht om te denken dat je dat door een ziekte te ontkennen realiseert. Alsof dat wat niet bestaat er opeens ook niet meer is. Heel kwetsend voor alle patiënten, we moeten juist alle tijd en geld steken in nog meer onderzoek zodat we uiteindelijk een écht medicijn vinden.

Het was een dappere poging om tegenstand te bieden, maar inhoudelijk leeg en nietszeggend.

Dat legde ik mijn opponent ook uit en na de stemmentelling die daar op volgde gingen wij heen met 78 tegen twee.

Leuke anekdote, denk je misschien, maar wat heeft dit nu met het huidige debat en professor dr. Sommer te maken?

Wel nu, heel veel, tot mijn eigen verbazing. Want ook ik had niet gedacht dat sommige hoge dames en heren der psychiatrie op het niveau van tweedejaars studenten elkaar woorden in de mond zouden leggen die nooit zijn uitgesproken. Of heel anders zijn bedoeld. Noch dat ze net zo creatief met onderzoeksresultaten zouden omspringen als wij studenten destijds deden.

Sinds de lancering van schizofreniebestaatniet.nl ben ik inmiddels uit die droom geholpen en begin ik gewend te raken aan ongenuanceerde kritiek en een knap staaltje drogredenering. Ook van voorzitters, professoren en andere geleerden.

Tegen hen, en tegen mevrouw Sommer in het speciaal, zou ik nog één keer willen zeggen: lees nou eens goed wat we daadwerkelijk zeggen en verlaag u niet tot het niveau van de student die best leuk kan kletsen, maar veelal met lege woorden spreekt.


Anne Marsman – reactie op persoonlijke titel

Meer info?
Bekijk de TED talk Connecting to Madness  van Jim van Os, daarin legt hij uit wat ‘schizofrenie’ wel en vooral niet is

photo credit: woman holding card, Jeshu John, Designerpic.com

BewarenBewaren

  • Deel deze pagina:

Reacties:

  1. Ik vind het lastig, ik lees de artikelen van Jim van Os met veel belangstelling. Er komen veel waardevolle resultaten uit. In mijn 35-jarige ervaring in de psychiatrie heb ik mensen met veel verschillende toestandsbeelden gezien. mensen die stemmen hoorden waarmee ik verder prima contact kon krijgen (geen psychose, schizofrenie), mensen met ernstige trauma’s, zeer angstig, controleverlies, beelden ziend en hallucinerend (geen schizofrenie). Maar ook mensen met ernstige coördinatie stoornissen, samengaand met bizarre wanen en hallucinaties die nog nooit een behandeling hadden gehad en op een boerderij een geïsoleerd bestaan leiden waarbij de gedachte aan een ernstige afwijking mij toch niet kon loslaten. Hoe we zo’n aandoening moeten noemen? Ik weet het niet, maar het ernstige leiden rechtvaardigt verder onderzoek vanuit onbevooroordeelde kaders waarbij ook de biologische varianten verder uitgediept dienen te worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *